Rechter dwingt minister opnieuw te beslissen op asielaanvraag — RBDHA:2026:7396
asielrecht / niet tijdig beslissen op asielaanvraag
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen acht weken een besluit nemen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €233,50 aan proceskosten vergoeden.
- Bij een tweede beroep wegens niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag is geen nieuwe ingebrekestelling vereist.
- Omdat de maximale beslistermijn van 21 maanden is overschreden, legt de rechtbank een kortere nieuwe beslistermijn op van acht weken.
- De dwangsom bij overschrijding is vastgesteld op €100 per dag met een verhoogd maximum van €15.000 (eerder €7.500).
- De proceskostenvergoeding is lager vastgesteld (wegingsfactor 0,25) omdat opvolgend beroep minder juridisch werk vereist dan een eerste beroep.
Samenvatting
Een asielzoeker die al sinds februari 2024 wacht op een beslissing op zijn aanvraag, heeft voor de tweede keer met succes beroep ingesteld bij de rechtbank omdat de minister van Asiel en Migratie niet op tijd heeft beslist. De rechtbank deed uitspraak zonder zitting.
Eerder, in september 2025, had de rechtbank (zittingsplaats Amsterdam) al vastgesteld dat de minister te traag handelde. Daarbij werd een deadline gesteld: uiterlijk 22 november 2025 moest er een besluit op tafel liggen. Ook werd toen al een dwangsom opgelegd van honderd euro per dag bij overschrijding, met een maximum van 7.500 euro. De minister hield zich echter niet aan die termijn en nam ook na die datum geen beslissing.
Dat leidde tot dit tweede beroep. De rechtbank stelde vast dat een nieuwe ingebrekestelling bij een volgend beroep over dezelfde aanvraag niet nodig is. Het beroep werd dan ook ontvankelijk en gegrond verklaard. Omdat inmiddels de maximale beslistermijn van 21 maanden ruimschoots is overschreden, acht de rechtbank een kortere nieuwe termijn op zijn plaats: de minister krijgt acht weken om alsnog een besluit bekend te maken.
Om te zorgen dat de minister deze keer wél op tijd handelt, legt de rechtbank opnieuw een dwangsom op. Die bedraagt wederom honderd euro per dag, maar het maximumbedrag is deze keer hoger vastgesteld: 15.000 euro in plaats van de eerdere 7.500 euro.
De minister moet ook de proceskosten van de asielzoeker vergoeden. Omdat een tweede beroep wegens niet tijdig beslissen minder werk met zich meebrengt dan een eerste, paste de rechtbank een lagere wegingsfactor toe. De vergoeding komt daarmee uit op 233,50 euro. De asielzoeker heeft zo voor de tweede keer gelijk gekregen, en de minister staat nu onder stevigere financiële druk om binnen acht weken eindelijk een inhoudelijke beslissing te nemen.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1762, Rechtbank Den Haag, 29-01-2026, NL25.35496
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1094, Rechtbank Den Haag, 26-01-2026, NL25.56955
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:555, Rechtbank Den Haag, 14-01-2026, NL25.35495
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:295, Rechtbank Den Haag, 09-01-2026, NL25.35517
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
1 april 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.7154
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7396