Rechter dwingt minister tot besluit over asielaanvraag met dwangsom — RBDHA:2026:7407
asielrecht / dwangsom wegens niet tijdig beslissen
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen zestien weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- De minister heeft de wettelijke beslistermijn op de asielaanvraag overschreden en ook na aanmaning niet binnen twee weken beslist.
- De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn op van zestien weken op basis van het '8+8 wekenmodel' van de Raad van State.
- Bij overschrijding van de nieuwe termijn is een rechterlijke dwangsom verschuldigd van €100 per dag met een maximum van €15.000.
- De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €467.
Samenvatting
Een asielzoeker heeft met succes beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag omdat de minister van Asiel en Migratie niet op tijd heeft beslist op zijn asielaanvraag van 16 juni 2025. De minister liet de wettelijke beslistermijn verstrijken en reageerde ook niet op een aanmaning om alsnog binnen twee weken een besluit te nemen.
De rechtbank oordeelde het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Dat laatste betekent dat de zaak zo duidelijk was dat de rechter geen zitting nodig achtte en meteen uitspraak kon doen. De trage besluitvorming door de minister is in strijd met de wet, die voorschrijft binnen welke termijn op een asielaanvraag moet worden beslist.
Bij het opleggen van een nieuwe beslistermijn volgde de rechtbank de zogeheten '8+8 wekenmodel'-richtlijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit model houdt in dat de minister in totaal zestien weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen, te rekenen vanaf de dag na bekendmaking van de uitspraak.
Om te voorkomen dat de minister ook deze nieuwe termijn laat verlopen, legde de rechtbank een dwangsom op. Voor elke dag dat de minister de zestienweekentermijn overschrijdt, moet hij honderd euro betalen aan de asielzoeker, met een maximum van vijftienduizend euro. Ook moet de minister de proceskosten van de asielzoeker vergoeden, vastgesteld op 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1940, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.39672
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1104, Rechtbank Den Haag, 26-01-2026, NL25.56926
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:901, Rechtbank Den Haag, 22-01-2026, NL25.51121
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:381, Rechtbank Den Haag, 12-01-2026, NL25.51369
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
1 april 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.12367
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7407