Rechter dwingt minister tot besluit over Syrische asielzaak — RBDHA:2026:7421
asielrecht / niet-tijdig beslissen / besluit- en vertrekmoratorium Syrië
Eiser / verzoeker
Syrische asielzoekster (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen acht weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag tot een maximum van €15.000, en moet €467 aan proceskosten vergoeden.
- Rechtbank kwalificeert het Besluit- en Vertrekmoratorium voor Syriërs als opschorting (niet verlenging) van de beslistermijn, mede op basis van de Europese Procedurerichtlijn
- Opschorting door het BVM geldt ook voor aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken vóór inwerkingtreding van het moratorium
- Omdat de maximale beslistermijn van 21 maanden is overschreden, legt de rechtbank een kortere hersteltermijn op van acht weken in plaats van het gebruikelijke 8+8-wekenmodel
- Bij overschrijding van de nieuwe beslistermijn geldt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000
Samenvatting
Een Syrische vrouw diende op 3 maart 2024 een asielaanvraag in bij de Nederlandse overheid. Ruim anderhalf jaar later had de minister van Asiel en Migratie nog steeds geen beslissing genomen. De vrouw stapte naar de rechter omdat de wettelijke beslistermijn was verstreken.
Centraal in de zaak stond de vraag hoe het zogeheten Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) voor Syrische asielzoekers doorwerkt op de beslistermijn. De minister had dit moratorium op 11 december 2024 ingesteld, omdat de situatie in Syrië na de val van het Assad-regime zo onzeker was dat geen weloverwogen besluiten konden worden genomen. Het BVM liep van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025, een periode van zes maanden.
De rechtbank Den Haag moest beoordelen of het BVM de beslistermijn verlengde of opschortte — een juridisch onderscheid met praktische gevolgen. De wet en het BVM zelf spreken van 'verlengen', maar de rechtbank koos voor een andere uitleg. Zij baseerde zich op de Europese Procedurerichtlijn, die in de Engelse versie het woord 'postpone' gebruikt, wat 'uitstellen' of 'opschorten' betekent. Ook het doel van een moratorium — de klok stilzetten zolang beslissen niet mogelijk is, en daarna gewoon verdergaan — wees volgens de rechtbank op opschorting. Dat de Nederlandse wet een andere term hanteert, doet daar niet aan af.
Dit betekent dat de beslistermijn voor de vrouw pas begon te lopen op 31 oktober 2024, de dag waarop zij werd toegelaten tot de nationale asielprocedure. Vervolgens werd die termijn zes maanden opgeschort door het BVM. De reguliere termijn van zes maanden plus de opschorting van zes maanden leidde ertoe dat de minister uiterlijk op 31 oktober 2025 een beslissing had moeten nemen. Na die datum stelde de vrouw de minister in gebreke, vroeg zij om een besluit binnen twee weken, maar de minister bleef in gebreke. Daarop werd beroep ingesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond. Bij het opleggen van een nieuwe beslistermijn hield zij rekening met het feit dat de maximale wettelijke termijn van 21 maanden inmiddels was overschreden. In zulke gevallen acht de rechtbank een kortere termijn dan het gebruikelijke 8+8-wekenmodel op zijn plaats. De minister kreeg acht weken om alsnog een besluit te nemen. Doet hij dat niet, dan loopt er een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €15.000. Ook moet de minister de proceskosten van de vrouw vergoeden, vastgesteld op €467.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2025:24818, Rechtbank Den Haag, 22-12-2025, NL25.33315
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:24817, Rechtbank Den Haag, 22-12-2025, NL25.33297
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:24815, Rechtbank Den Haag, 22-12-2025, NL25.33264
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:24820, Rechtbank Den Haag, 22-12-2025, NL25.33323
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
1 april 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.10195
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7421