Rechter dwingt minister tot besluit over Syrische asielaanvraag — RBDHA:2026:7422
Asielrecht / niet tijdig beslissen op asielaanvraag / besluit- en vertrekmoratorium Syrië
Eiser / verzoeker
Syrische asielzoeker
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond: minister moet binnen zestien weken een besluit nemen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
- Het BVM voor Syrische asielzoekers (december 2024 – juni 2025) moet worden opgevat als opschorting van de beslistermijn, niet als verlenging, op grond van de Europese Procedurerichtlijn.
- De opschorting door het BVM geldt ook voor aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken vóór het BVM van kracht werd.
- De gecombineerde termijn (zes maanden regulier plus zes maanden BVM-opschorting) eindigde op 17 november 2025; de minister is daarna in gebreke gebleven.
- De rechtbank legt op basis van het '8+8 wekenmodel' van de Afdeling een nieuwe beslistermijn van zestien weken op, met een dwangsom van €100 per dag tot maximaal €15.000.
Samenvatting
Een asielzoeker uit Syrië stapte naar de rechter omdat de minister van Asiel en Migratie al veel te lang geen beslissing had genomen op zijn asielaanvraag van september 2024. De man diende zijn aanvraag in op 16 september 2024 en werd op 17 november 2024 toegelaten tot de nationale asielprocedure. Normaal gesproken moet de minister binnen zes maanden een besluit nemen, maar dat gebeurde niet.
Een complicerende factor was het zogenoemde Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) dat de minister in december 2024 instelde voor Syriërs. Dit moratorium — ingegeven door de onzekere situatie in Syrië na de val van het Assad-regime — liep van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025. Tijdens die periode werd het nemen van beslissingen over Syrische asielaanvragen opgeschort.
De rechtbank buigt zich over een belangrijke juridische vraag: wat betekent het BVM precies voor de beslistermijn? De wet spreekt over 'verlengen', maar de rechtbank concludeert dat het in de praktijk gaat om een opschorting. Dat onderscheid is cruciaal: bij een verlenging tikt de klok gewoon door, bij een opschorting wordt die stilgezet en gaat hij daarna verder. De rechtbank baseert zich daarbij op de Europese Procedurerichtlijn, die spreekt over het 'uitstellen' van de procedure, en op de Engelse tekst van die richtlijn, die het woord 'postpone' gebruikt.
Voor de asielzoeker betekent dit concreet dat zijn beslistermijn van zes maanden begon op 17 november 2024 en tijdens het BVM werd stilgezet. Na afloop van het moratorium in juni 2025 liep de termijn verder. Opgeteld bij de reguliere zes maanden eindigde de beslistermijn daarmee op 17 november 2025. Omdat de minister ook na die datum geen besluit nam en de asielzoeker hem formeel in gebreke had gesteld, was het beroep terecht ingesteld.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister een nieuwe termijn op van zestien weken om alsnog een beslissing te nemen. Doet de minister dat niet, dan loopt hij een dwangsom op van honderd euro per dag, met een maximum van vijftienduizend euro. Ook moet de minister de proceskosten van de asielzoeker vergoeden, vastgesteld op 467 euro.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1763, Rechtbank Den Haag, 29-01-2026, NL25.35573 en NL25.35574
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1369, Rechtbank Den Haag, 28-01-2026, NL25.61623
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtbank gebiedt minister alsnog besluit asielaanvraag
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:849, Rechtbank Den Haag, 21-01-2026, NL25.48670
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
1 april 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL26.10285
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7422