Rechter dwingt minister tot beslissen over gezinshereniging met dwangsom — RBDHA:2026:7580
niet tijdig beslissen – machtiging tot voorlopig verblijf – gezinshereniging – vreemdelingenrecht
Eiser / verzoeker
Eiseres (aanvrager machtiging tot voorlopig verblijf)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen 8 weken beslissen op de aanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.
- Minister heeft de wettelijke beslistermijn van 90 dagen plus drie maanden verlenging overschreden zonder besluit te nemen op aanvraag gezinshereniging
- Rechtbank past de uitzonderingsbepaling toe en stelt een nadere termijn van 8 weken (of 20 weken bij nader onderzoek) in plaats van de standaard 2 weken
- Dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 bij verdere overschrijding
- Vrijstelling griffierecht wegens betalingsonmacht definitief toegewezen
- Proceskosten van €467 komen voor rekening van de minister
Samenvatting
Een vrouw vroeg begin 2025 een machtiging tot voorlopig verblijf aan om naar Nederland te komen voor gezinshereniging met haar moeder, die daar een asielvergunning heeft. De minister van Asiel en Migratie liet maanden verstrijken zonder een besluit te nemen, ook na herhaaldelijke aanmaningen.
De aanvraag werd ingediend op 8 januari 2025. De wet schrijft voor dat de minister binnen 90 dagen beslist, met een mogelijke verlenging van drie maanden. Dat betekende dat er uiterlijk op 8 juli 2025 een besluit had moeten liggen. Die deadline verstreek zonder enige inhoudelijke beslissing. In oktober en november 2025 werd de minister formeel in gebreke gesteld, maar ook dat had geen effect. In december 2025 stapte de vrouw naar de rechter.
De rechtbank stelt vast dat het beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond is. Normaal gesproken krijgt een bestuursorgaan in zo'n geval twee weken om alsnog een besluit te nemen. Maar de rechtbank maakt gebruik van een uitzonderingsbepaling voor bijzondere gevallen. Bij aanvragen voor gezinshereniging met houders van een asielvergunning geldt zo'n bijzonder geval, omdat deze zaken structureel veel tijd vergen door de benodigde stappen in het besluitvormingsproces.
Uit het dossier blijkt dat de minister de ontvangst van de aanvraag wel heeft bevestigd, maar verder nog niets heeft ondernomen. De rechtbank legt daarom een termijn van acht weken op waarbinnen alsnog een besluit moet worden genomen. Als de minister binnen die periode besluit dat nader onderzoek nodig is en dat schriftelijk aan de vrouw meedeelt, heeft hij in totaal twintig weken de tijd.
Om naleving af te dwingen, legt de rechtbank een dwangsom op van honderd euro per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van vijftienduizend euro. Daarnaast moet de minister de proceskosten van de vrouw vergoeden. Die worden vastgesteld op 467 euro. De vrouw hoefde geen griffierecht te betalen, omdat zij daarvoor een vrijstelling wegens betalingsonmacht heeft gekregen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, verplicht de minister binnen acht weken (of twintig weken bij nader onderzoek) een besluit bekend te maken, en legt een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000, naast een proceskostenveroordeling van €467.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2010, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19842
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2000, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11371
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2001, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.11884
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:2014, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.19770
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
1 april 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.60525
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7580