Jordaanse man verliest beroep tegen afwijzing tweede asielaanvraag — RBDHA:2026:7601
asielrecht / niet-ontvankelijkheid opvolgende asielaanvraag
Eiser / verzoeker
Jordaanse man (naam gepseudonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Het beroep is ongegrond verklaard; de niet-ontvankelijkverklaring van de opvolgende asielaanvraag blijft in stand.
- Overgelegde Jordaans politierapport niet aangemerkt als relevant nieuw element omdat de verkrijging ervan niet aannemelijk is gemaakt
- Minister heeft de juiste ontvankelijkheidstoets gehanteerd conform werkinstructie WI 2023/7, geen voortijdige inhoudelijke beoordeling
- Refoulementrisico actueel beoordeeld conform arrest Ararat; geen aanwijzingen voor schending artikel 3 EVRM
- Eerdere asielaanvraag was al onherroepelijk afgewezen na uitspraken van rechtbank en Afdeling bestuursrechtspraak
Samenvatting
Een man van Jordaanse nationaliteit diende in februari 2025 een tweede asielaanvraag in Nederland in, nadat zijn eerste aanvraag eerder definitief was afgewezen. Als nieuw bewijs legde hij een Jordaans politierapport over. De minister van Asiel en Migratie verklaarde ook deze opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk, omdat het overgelegde document niet als relevant nieuw element werd beschouwd. De rechtbank Den Haag heeft dit standpunt bevestigd.
De man had zijn eerste asielaanvraag in september 2021 ingediend. Die werd in december 2023 afgewezen als kennelijk ongegrond. Zowel de rechtbank als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigden die afwijzing in 2024, waarmee het besluit onherroepelijk werd. Met het politierapport als nieuw element probeerde de man zijn zaak alsnog opnieuw te laten beoordelen.
De rechtbank onderzocht of de minister de juiste toets had gebruikt bij het beoordelen van de nieuwe aanvraag. Daarvoor gelden vaste criteria, vastgelegd in een werkinstructie: onder meer de wijze waarop een document is verkregen, de aard van het document, de geloofwaardigheid van de inhoud en de vraag of er reden is te twijfelen aan de authenticiteit. De man betoogde dat de minister al een inhoudelijke beoordeling had gemaakt in plaats van alleen te kijken of het document relevant kón zijn, maar de rechtbank volgde hem daarin niet.
Cruciale twijfels ontstonden over hoe het politierapport in handen van de man was gekomen. Het gaat om een intern document van de Jordaanse politie, en de man kon niet concreet uitleggen hoe zijn advocaat in Jordanië daaraan was gekomen. De minister concludeerde dat de afgifte hoogstwaarschijnlijk niet op de gebruikelijke wijze had plaatsgevonden. Ook kon de man niet duidelijk maken waarvoor zijn familie of advocaat te vrezen zouden hebben gehad bij het opvragen van zo'n rapport. De rechtbank oordeelde dat de minister dit standpunt voldoende had onderbouwd.
Daarnaast voerde de man aan dat de minister onvoldoende had beoordeeld of zijn uitzetting naar Jordanië in strijd zou zijn met het verbod op refoulement — het verbod om iemand terug te sturen naar een land waar hij risico loopt op ernstige schending van zijn grondrechten. Hij verwees daarbij naar een recent arrest van het Europese Hof van Justitie (het arrest Ararat), dat vereist dat in alle fasen van de procedure een actuele beoordeling van dit risico wordt gemaakt. De rechtbank stelde vast dat de minister deze beoordeling wel degelijk had uitgevoerd. Er waren geen aanwijzingen dat de situatie voor mensen met een vergelijkbaar profiel significant was verslechterd, en de man had in beroep zelf ook geen nieuwe persoonlijke omstandigheden aangedragen die op een verhoogd risico zouden wijzen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De niet-ontvankelijkverklaring van de opvolgende asielaanvraag blijft daarmee in stand, en de man krijgt geen nieuwe inhoudelijke behandeling van zijn asielverzoek.
Betrokken advocaten
mr. H.R. Nobel
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1739, Rechtbank Den Haag, 02-02-2026, NL25.46208
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1741, Rechtbank Den Haag, 02-02-2026, NL25.46210
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1497, Rechtbank Den Haag, 29-01-2026, NL25.27382
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1629, Rechtbank Den Haag, 23-01-2026, NL25.43623
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
2 april 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.60990
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7601