Rechter dwingt minister tot snel beslissen over asielaanvraag — RBDHA:2026:7782
asiel / niet tijdig beslissen / dwangsom
Eiser / verzoeker
Asielzoeker (anoniem)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Beroep gegrond verklaard; minister moet binnen twee weken beslissen op de asielaanvraag, op straffe van een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000, en moet €467 proceskosten vergoeden.
- Verlenging beslistermijn via WBV 2023/3 is onvoldoende gemotiveerd en daardoor ongeldig; de geldende termijn blijft zes maanden.
- De maximale termijn van 21 maanden uit de Europese Procedurerichtlijn is overschreden, wat de rechtbank aanleiding geeft een extra korte termijn van twee weken op te leggen.
- Bestuurlijke dwangsom is in asielzaken wettelijk afgeschaft (Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND); dit is niet in strijd met Unierecht.
- Rechterlijke dwangsom van €100 per dag (max. €15.000) opgelegd als minister niet binnen twee weken beslist.
- Proceskosten van €467 toegewezen aan eiser (0,5 punt wegens licht gewicht van de zaak).
Samenvatting
Een asielzoeker heeft met succes beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag omdat de minister van Asiel en Migratie niet op tijd heeft beslist over zijn asielaanvraag. De wettelijke termijn voor zo'n beslissing is zes maanden na ontvangst van de aanvraag, maar die termijn was ruimschoots overschreden.
De minister had geprobeerd de beslistermijn met negen maanden te verlengen via een zogenoemde wijziging van de Vreemdelingencirculaire (WBV 2023/3). De rechtbank gaat daar echter niet in mee: die verlenging is onvoldoende gemotiveerd en mist daardoor een rechtsgeldige basis. Dat betekent dat gewoon de standaardtermijn van zes maanden geldt — en die is ruimschoots verstreken.
De asielzoeker had de minister eerder schriftelijk in gebreke gesteld, zoals wettelijk vereist, en pas daarna beroep ingesteld. Aan alle formele vereisten was voldaan, dus het beroep is ontvankelijk en ook inhoudelijk gegrond.
Een bijzondere omstandigheid speelt ook mee: de maximale termijn van 21 maanden die voortvloeit uit de Europese Procedurerichtlijn is inmiddels ook overschreden. Dat maakt de situatie extra urgent. De rechtbank legt de minister daarom een uiterst korte termijn op: binnen twee weken na verzending van de uitspraak moet alsnog een besluit worden genomen.
Over de bestuurlijke dwangsom — een boete die automatisch oploopt als het bestuursorgaan te laat is — kan de asielzoeker in dit geval niet beschikken. Die is in asielzaken afgeschaft door de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND. De rechtbank oordeelt dat dit niet in strijd is met Europees recht.
Wel legt de rechtbank een rechterlijke dwangsom op: als de minister de tweewekentermijn niet haalt, verbeurt hij €100 per dag, met een maximum van €15.000. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de asielzoeker, vastgesteld op €467.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:2136, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.54288
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1879, Rechtbank Den Haag, 05-02-2026, NL25.64051
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1295, Rechtbank Den Haag, 20-01-2026, NL25.58221
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:950, Rechtbank Den Haag, 16-01-2026, NL25.47569
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
1 april 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.39319
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7782