Griekse man verliest verblijfsrecht na beroep op bijstand — RBDHA:2026:8267
verblijfsrecht EU-burger / gemeenschapsonderdaan
Eiser / verzoeker
Griekse man (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Asiel en Migratie
Het beroep is ongegrond verklaard; de vaststelling dat de Griekse man geen rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan blijft in stand.
- Eiser heeft niet aangetoond economisch actief te zijn als werknemer, zelfstandige of werkzoekende na hervestiging in Nederland in 2024.
- Eerder opgebouwd verblijfsrecht is vervallen door langdurige afwezigheid uit Nederland (meerdere periodes van jaren).
- Familierechtelijke relatie met dochter en kleinkinderen niet aangetoond met documenten; minister hoefde geen familie- of gezinsleven aan te nemen.
- Minister mocht afzien van horen in bezwaar omdat eiser naliet gevraagde stukken in te dienen en het om een vaststellingsbesluit ging.
- Belang van Nederlandse overheid (voorkoming beroep op publieke middelen) weegt zwaarder dan eisers persoonlijk belang bij verblijf in Nederland.
Samenvatting
Een Griekse man die in Nederland woont en een bijstandsuitkering ontvangt, heeft van de rechtbank Den Haag geen gelijk gekregen in zijn beroep tegen het oordeel van de minister van Asiel en Migratie. De minister had vastgesteld dat de man sinds zijn terugkeer naar Nederland op 26 juni 2024 geen rechtmatig verblijf heeft gehad als gemeenschapsonderdaan. De rechtbank laat dat oordeel in stand.
De man, die de Griekse nationaliteit heeft, woonde eerder al periodes in Nederland, maar door langdurige afwezigheid — onder meer tussen 1995 en 2008 en opnieuw tussen 2016 en 2024 — is eerder opgebouwd verblijfsrecht vervallen. Na zijn terugkeer in 2024 kon hij niet aantonen dat hij economisch actief was: hij had geen werk in loondienst of als zelfstandige, was niet aantoonbaar werkzoekende en beschikte niet zelfstandig over voldoende middelen. In plaats daarvan ontving hij een bijstandsuitkering, wat de Sociale Verzekeringsbank meldde aan de minister.
De man voerde aan dat hij sterke banden heeft met Nederland. Zijn dochter en kleinkinderen wonen hier, hij past regelmatig op de kleinkinderen en woont inmiddels samen met een nieuwe vriendin. Na het overlijden van een eerdere vriendin woonde hij tijdelijk bij zijn dochter. Zijn dochter helpt hem onder andere bij sollicitaties. Hij stelde geen contacten meer te hebben in Griekenland en wees op de slechte economische situatie daar.
De rechtbank volgt deze argumenten niet. De man heeft geen van zijn verklaringen met schriftelijke stukken onderbouwd. De enkele mededeling van zijn dochter dat hij solliciteert, is onvoldoende om hem als werkzoekende gemeenschapsonderdaan aan te merken. Ook heeft hij de familierechtelijke relatie met zijn dochter en kleinkinderen niet met documenten aangetoond, waardoor de minister terecht geen beschermd familie- of gezinsleven heeft aangenomen. Een bijzondere afhankelijkheid tussen hem en zijn dochter is evenmin aangetoond.
Over de vraag of de man gehoord had moeten worden in de bezwaarfase, oordeelt de rechtbank eveneens in het nadeel van de man. De minister mocht afzien van horen, omdat de man ruimschoots de gelegenheid had gekregen de ontbrekende stukken in te dienen maar dat heeft nagelaten. Bovendien ging het niet om een belastend besluit, maar om een vaststellingsbesluit.
De rechtbank concludeert dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van de man: hij ontvangt bijstand, heeft het grootste deel van zijn leven in Griekenland gewoond en er zijn geen objectieve belemmeringen om daarheen terug te keren. Het beroep is ongegrond verklaard, het besluit van de minister blijft in stand en de man krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Betrokken advocaten
mr. J. Veendorp
verweerder
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1869, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL25.51743
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1868, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL25.51742
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1859, Rechtbank Den Haag, 04-02-2026, NL25.45802
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:1519, Rechtbank Den Haag, 29-01-2026, 26.2268, 26.2271, 26.2273, 26.2274, 26.2278, 26.2279, 26.2280, 26.2281, 26.2285, 26.2291, 26.2293
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
8 april 2026
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
NL25.48049
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:8267