ECLI:NL:RBLIM:2021:31, Rechtbank Limburg, 06-01-2021, 04 8476192 CV 20-1810 — RBLIM:2021:31
Samenvatting
De kantonrechter constateert dat eiser bij inleidende dagvaarding heeft aangeduid twee hoedanigheden te hebben, te weten: die van privépersoon zowel als van onderneemster (vgl. dagvaarding sub 41). De kantonrechter te Roermond is om die reden de tot oordelen bevoegde rechter in gevolge artikel 101 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Gelet op de vervolgens door partijen uitgewisselde processtukken moet het er echter voor worden gehouden dat de ter discussie staande verbouwing betrekking heeft op de door eiser gedreven onderneming (bed en breakfast), met name gelet op de door haar gevorderde omzetschade. Dat betekent dat zij niet in hoedanigheid van consument optreedt, doch als onderneemster, net zoals dat aan de zijde van Practicomfort aan de orde is. Het eerder aangeduide artikel 101 Rv vormt daarom (toch) geen basis voor de bevoegdheid tot oordelen door de kantonrechter te Roermond en de zaak dient te worden verwezen naar de wel bevoegde kantonrechter. Dat is - gelet op de woon- c.q. vestigingsplaats van Practicomfort – de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, locatie Leiden.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2025:23467, Rechtbank Den Haag, 10-12-2025, 11753875 \ CV EXPL 25-1967
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:16177, Rechtbank Den Haag, 06-08-2025, C/09/674571 / HA ZA 24-912
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht
ECLI:NL:RBDHA:2025:5218, Rechtbank Den Haag, 19-03-2025, C/09/669540 / HA ZA 24-596
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:RBROT:2024:2316, Rechtbank Rotterdam, 13-03-2024, C/10/654941 / HA ZA 23-290
Rechtbank Rotterdam · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
6 januari 2021
Instantie
Rechtbank LimburgRechtsgebied
Civiel Recht; VerbintenissenrechtZaaknummer
04 8476192 CV 20-1810
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2021:31