Juristi.nl
ECLI:NL:RBLIM:2023:4336Civiel Recht; Verbintenissenrecht

ECLI:NL:RBLIM:2023:4336, Rechtbank Limburg, 28-06-2023, C/03/304655 HAZA 22-198 — RBLIM:2023:4336

Samenvatting

Letselschadezaak: de benadeelde is aangereden door een lijnbus en heeft daardoor hersenletsel opgelopen, waardoor hij niet meer zelfstandig voor zichzelf kan zorgen. De benadeelde wordt op dit moment door zijn ouders, in een mandelzorgwoning gebouwd aan het ouderlijk huis, verzorgd en de overige zorg wordt door andere familie en vrienden verleend. Het grootste geschil tussen partijen is het antwoord op de vraag welke woonvorm voor de benadeelde in de toekomst voor vergoeding in aanmerking komt: een relatief dure particuliere woonvorm met een-op-een zorg of de deels door de Wet langdurige zorg bekostigde woonvorm in een Wlz-instelling? Daarnaast is de wijze van het berekenen van de reeds geleden zorgschade (meer in het bijzonder de verleende informele zorg door familie en vrienden) in geschil (abstracte- of concrete schadeberekening?). Voorts wenst de benadeelde een schadevergoeding in de vorm van een bedrag ineens (lumpsum) en wenst de verzekeraar de schade af te wikkelen met periodieke betalingen (artikel 6:105 BW) en wordt hierop na een belangenafweging beslist dat periodiek wordt afgewikkeld, waarbij de rechtbank enkele uitgangspunten formuleert die partijen daarbij kunnen hanteren. Daarnaast maakt de verzekeraar nog een punt van het feit dat zij de mantelzorgwoning heeft gefinancierd omdat uitgangspunt was dat benadeelde aldaar zou blijven wonen. Nu lijken de ouders de woning, inclusief mantelzorgwoning, alsnog te willen verkopen en bestaat de kans zij een meerwaarde kunnen realiseren vanwege de aanwezigheid van de door de verzekeraar gefinancierde mantelzorgwoning. De gevorderde buitengerechtelijke kosten kunnen de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan en worden gematigd. De gevorderde belastinggarantie wordt toegewezen, maar deze wordt anders geformuleerd omdat de verzekeraar slechts aansprakelijk is tot een maximum verzekerde som. Geen sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid, omdat niet beide gedaagde aansprakelijk zijn voor het geheel. Tot slot wordt de zaak verwezen naar de rol voor nog een schriftelijke ronde over de eigen-schuldvraag, waarop de rechtbank in 2016 reeds in een deelgeschil had beslist. De rechtbank is van oordeel dat na dit deelgeschil is gebleken dat beslissing in deelgeschil was gebaseerd op onjuiste feiten en omstandigheden, reden waarom de beslissing op de vraag of sprake is van eigen schuld zal worden heroverwogen in deze zaak.

Betrokken advocaten

mr. B.P. Dekker

eiser

Beer advocaten, AMSTERDAM

mr. A.K. Sjouw

gedaagde

NN Advocaten, HOOGEVEEN

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

28 juni 2023

Zaaknummer

C/03/304655 HAZA 22-198

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBLIM:2023:4336

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBLIM:2026:2531
Rechtbank Limburg·25 mrt 2026
Civiel Recht; Verbintenissenrecht
RBLIM:2026:2631
Rechtbank Limburg·25 mrt 2026
Civiel Recht; Verbintenissenrecht
RBLIM:2026:2788
Rechtbank Limburg·25 mrt 2026
Civiel Recht; Verbintenissenrecht