Rechter weigert aannemer inzage in procesdossiers hotelproject — RBLIM:2026:1381
inzagerecht processdossiers / aannemingsovereenkomst hotelproject
Eiser / verzoeker
[aannemer] B.V.
Verweerder / gedaagde
CDB Valkenburg B.V., WAAN B.V., WAAW B.V., Capital Estates B.V., [persoon 1] en [persoon 2] (gezamenlijk: CdB c.s.)
De rechtbank wijst de incidentele vordering van de aannemer tot inzage in de procesdossiers van andere procedures volledig af en veroordeelt hem in de proceskosten.
- Het wettelijke inzagerecht (art. 194 Rv) geldt alleen voor gegevens die betrekking hebben op een rechtsverhouding waarbij de verzoekende partij zelf partij is
- De procedures tussen de projectontwikkelaar en de gemeente betreffen een wezenlijk ander onderwerp dan de aannemingsovereenkomst in deze zaak
- Een verzoek om inzage in complete procesdossiers is te weinig specifiek en daarmee niet voldoende bepaald
- De aannemer heeft onvoldoende belang bij de gevorderde inzage
Samenvatting
Een aannemer uit de bouwsector sleept een projectontwikkelaar voor de rechter in een conflict over een hotelproject in Valkenburg aan de Geul. De aannemer claimt dat er een aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen en eist vergoeding van gemaakte kosten en gederfde winst. In afwachting van de inhoudelijke behandeling van die zaak vroeg de aannemer de rechtbank om een tussenbeslissing: hij wilde inzage krijgen in de processtukken van twee andere rechtszaken die speelden tussen de projectontwikkelaar en de gemeente Valkenburg aan de Geul.
Die andere procedures draaiden om een koopovereenkomst voor drie percelen grond waarop het hotel gebouwd zou worden. De gemeente had die koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden, waarna de projectontwikkelaar naar de rechter stapte. De aannemer meende dat de projectontwikkelaar in die procedures uitspraken had gedaan die haaks staan op wat hij nu in de zaak tegen de aannemer beweert. Zo zou de projectontwikkelaar tegenover de gemeente hebben verklaard dat een 'bouwteam in de startblokken stond', een bewering die de aannemer wilde gebruiken om zijn eigen stellingen over het bestaan van een overeenkomst kracht bij te zetten.
De rechtbank wijst dit verzoek af. Het wettelijke inzagerecht, vastgelegd in artikel 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, geeft een partij het recht om gegevens op te vragen die betrekking hebben op een rechtsverhouding waarbij zij zelf partij is. Maar de procedures tussen de projectontwikkelaar en de gemeente gaan over een volledig ander onderwerp: de ontbinding van een koopovereenkomst voor grond. Dat is iets heel anders dan de vraag of er een aannemingsovereenkomst bestaat tussen de aannemer en de projectontwikkelaar. De aannemer is geen partij in die andere procedures en de stukken betreffen ook niet de rechtsverhouding die in deze zaak centraal staat.
Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de vordering te vaag en te breed is geformuleerd. De aannemer vroeg om inzage in complete procesdossiers, inclusief alle dagvaardingen, verweerschriften, producties en spreekaantekeningen. Volgens de wet moet zo'n verzoek voldoende specifiek en afgebakend zijn. De rechtbank constateert dat onduidelijk is welke concrete informatie de aannemer zoekt en waar die precies in de omvangrijke dossiers te vinden zou zijn. Als de vordering was toegewezen, had de aannemer een grote hoeveelheid informatie gekregen waarop hij geen recht heeft en waarbij hij ook geen belang heeft.
De projectontwikkelaar had ook nog aangevoerd dat de bewuste uitlating over het 'bouwteam in de startblokken' helemaal niet op de aannemer sloeg, maar op een andere aannemer. Het traject met de eisende aannemer was immers al in februari 2025 stopgezet voordat de kortgedingprocedure tegen de gemeente plaatsvond. Voor openbare informatie, zoals raadsvergaderingen, hoefde de aannemer bovendien geen rechtszaak te beginnen: die zijn terug te luisteren via internet.
De aannemer wordt veroordeeld in de proceskosten van deze incidentele procedure, die worden begroot op 842 euro. De inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak, waarin de vorderingen van de aannemer tegen de projectontwikkelaar centraal staan, is gepland op 10 maart 2026.
Betrokken advocaten
mr. R.W. Janssen
verwerende partijen in het incident
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBLIM:2025:12332, Rechtbank Limburg, 10-12-2025, 11809842 \ CV EXPL 25-3008
Rechtbank Limburg · Civiel Recht
ECLI:NL:RBLIM:2025:12326, Rechtbank Limburg, 10-12-2025, 11548256 \ CV EXPL 25-908
Rechtbank Limburg · Civiel Recht
ECLI:NL:RBLIM:2025:11551, Rechtbank Limburg, 21-11-2025, 11931509 CV EXPL 25-4167
Rechtbank Limburg · Civiel Recht
ECLI:NL:RBLIM:2025:6433, Rechtbank Limburg, 02-07-2025, 11378634 \ CV EXPL 24-5437
Rechtbank Limburg · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
11 februari 2026
Instantie
Rechtbank LimburgRechtsgebied
Civiel Recht; Burgerlijk ProcesrechtZaaknummer
C/03/342129 / HA ZA 25-237
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:1381