Heemwonen mag huurster ontruimen na twee bomexplosies — RBLIM:2026:2710
huurrecht / ontruiming kort geding / buitengerechtelijke ontbinding na gemeentelijke woningsluiting
Eiser / verzoeker
Woningstichting Heemwonen
Verweerder / gedaagde
huurster (naam geanonimiseerd)
Heemwonen wint: de huurster moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding van €659,20 per maand betalen vanaf 1 april 2026 tot aan de ontruiming.
- Buitengerechtelijke ontbinding op grond van artikel 7:231 lid 2 BW is geldig zodra de burgemeester de woning feitelijk heeft gesloten; onherroepelijkheid van het sluitingsbesluit is niet vereist.
- Schorsing van het bestuurlijke sluitingsbesluit door de bestuursrechter tast de rechtsgeldigheid van de civielrechtelijke buitengerechtelijke ontbinding niet aan.
- Ontbinding en ontruiming zijn proportioneel in de zin van artikel 8 EVRM, gelet op de ernstige impact van twee bomaanslagen op de veiligheid en het woongenot van omwonenden.
- De belofte dat de overlastgevende zoon niet zou terugkeren in de woning is onvoldoende om ontruiming af te wenden, mede gezien de jarenlange overlastgeschiedenis.
- De huurster is veroordeeld tot een gebruiksvergoeding gelijk aan de voormalige huurprijs van €659,20 per maand tot aan de ontruiming.
Samenvatting
Een huurster in een niet nader genoemde gemeente moet haar sociale huurwoning verlaten nadat twee bomaanslagen op de voordeur van haar woning een klimaat van angst in de buurt hebben gecreëerd. De kantonrechter in Maastricht wees het ontruimingsverzoek van Woningstichting Heemwonen toe in kort geding.
De problemen begonnen al eerder: tussen 2021 en 2022 kwamen er bij Heemwonen meerdere meldingen binnen over overlast door de zonen van de huurster — vernielingen, geschreeuw en bedreigingen. Een buurgezin vertrok destijds al uit angst. De situatie escaleerde op 31 augustus 2025, toen een brandbom tegen de voordeur van de woning tot ontploffing werd gebracht. Tijdens een huisbezoek verklaarde een van de zonen, [zoon 2], dat hij vijanden had gemaakt die wisten waar hij woonde, en dat er meer gewelddadige acties zouden volgen.
Op 21 januari 2026 vond een tweede, ernstiger aanslag plaats. Ditmaal werd een vuurwerkbom met brandversnellers gebruikt. De voordeur was volledig vernield, het kozijn ontzet en de buitenmuur zwartgeblakerd. De dag erna besloot de burgemeester de woning voor twaalf weken te sluiten op grond van de Gemeentewet, omdat de openbare orde ernstig was verstoord. Heemwonen maakte gebruik van haar wettelijke bevoegdheid en ontbond op 23 januari 2026 de huurovereenkomst buitengerechtelijk — een overeenkomst die al sinds 2007 liep.
De huurster berustte niet in de ontbinding. Ze voerde aan dat haar buitengerechtelijke ontbinding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, omdat het actuele dreigingsniveau onvoldoende was onderbouwd. Bovendien stelde ze dat ze de bomaanslagen nooit had kunnen voorzien. Ze wees erop dat haar zoon [zoon 2] na zijn vrijlating uit voorlopige hechtenis bij zijn vader zou gaan wonen en dus niet meer in de woning terug zou keren.
Toen een bestuursrechtelijke voorzieningenrechter de sluiting op 26 februari 2026 schorste, keerde de huurster terug in de woning. Heemwonen stapte vervolgens naar de civiele rechter en eiste ontruiming in kort geding.
De kantonrechter oordeelde dat Heemwonen rechtmatig gebruik had gemaakt van haar ontbindingsbevoegdheid op grond van artikel 7:231 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. Beslissend daarvoor is dat de burgemeester de woning feitelijk had gesloten — het is niet nodig dat zo'n sluitingsbesluit ook onherroepelijk is. Dat de bestuursrechter de sluiting later schorste, maakt de buitengerechtelijke ontbinding niet ongedaan.
Vervolgens toetste de rechter of de ontbinding en de gevorderde ontruiming ook proportioneel waren, onder meer in het licht van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat het recht op eerbiediging van de woning beschermt. De kantonrechter woog daarin mee dat Heemwonen als woningstichting een zorgplicht heeft voor de leefbaarheid en veiligheid in haar wijken, dat de explosies een enorme impact hadden op omwonenden en dat meerdere gezinnen in de directe omgeving leven in angst voor herhaling. De omstandigheid dat [zoon 2] zou vertrekken naar zijn vader achtte de rechter onvoldoende geruststellend, mede gezien de lange geschiedenis van overlast.
De kantonrechter wees het ontruimingsverzoek toe. De huurster moet de woning verlaten en is veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding ter hoogte van de voormalige huurprijs van €659,20 per maand vanaf 1 april 2026 totdat de woning daadwerkelijk is ontruimd, te vermeerderen met wettelijke rente.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:GHSHE:2024:616, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27-02-2024, 200.334.664_01
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · Civiel Recht; Burgerlijk Procesrecht
ECLI:NL:RBGEL:2024:690, Rechtbank Gelderland, 14-02-2024, 418736
Rechtbank Gelderland · Civiel Recht
ECLI:NL:GHSHE:2023:4136, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12-12-2023, 200.334.477_01
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · Civiel Recht
ECLI:NL:GHSHE:2023:2563, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-08-2023, 200.313.232_01
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
25 maart 2026
Instantie
Rechtbank LimburgRechtsgebied
Civiel Recht; VerbintenissenrechtZaaknummer
12099622 \ CV EXPL 26-815
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:2710