Rechter: handhaving uitbreiding mestplaat Baneheider boer onevenredig — RBLIM:2026:2967
handhaving / last onder dwangsom / omgevingsvergunning / vertrouwensbeginsel / evenredigheid
Eiser / verzoeker
Boer uit Baneheide
Verweerder / gedaagde
College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gulpen-Wittem
De rechter verklaart het beroep gegrond voor de uitbreiding van de mestplaat met betonplaten — handhaving daartegen is onevenredig — maar handhaaft de last voor de klinkerverharding.
- Beroep op vertrouwensbeginsel voor uitbreiding mestplaat met betonplaten faalt: niet aangetoond dat toezichthouder toezegging heeft gedaan over de betonplaten, die pas later zijn aangelegd dan de muur.
- Handhaving van de last voor de betonplaten is onevenredig vanwege de onduidelijkheid rond uitlatingen toezichthouder, beperkte omvang uitbreiding en geaccepteerde melding Activiteitenbesluit.
- Vertrouwensbeginsel slaagt wél voor de betonnen muur: gemeente had dit al erkend en eist die niet meer te verwijderen.
- Klinkerverharding moet grotendeels worden verwijderd of vergund, met uitzondering van de oprit naar de mestplaat aan de noordzijde.
- Mestplaat viel onder overgangsrecht bestemmingsplan 2009, waarbij onduidelijk is of gemeente ooit serieus beoogde de mestplaat te laten verdwijnen.
Samenvatting
Een boer uit Baneheide in de gemeente Gulpen-Wittem raakte in conflict met de gemeente over uitbreidingen van zijn mestplaat op een perceel in Eys. Zonder omgevingsvergunning had hij tussen 2013 en 2014 een betonnen muur geplaatst, de mestplaat uitgebreid met betonplaten en klinkerverharding aangelegd. De gemeente legde hem in 2025 een last onder dwangsom op om deze werken te verwijderen.
De boer had eerder contact gehad met een gemeentelijke toezichthouder, die naar eigen zeggen had toegezegd dat de betonnen muur zonder vergunning mocht worden geplaatst. Op basis daarvan deed de boer een beroep op het vertrouwensbeginsel: hij stelde dat de toezichthouder ook de uitbreiding van de mestplaat en de klinkerverharding had goedgekeurd. De gemeente erkende in de bezwaarfase dat het vertrouwensbeginsel gold voor de betonnen muur, en eiste niet langer dat die werd afgebroken.
Tijdens de zitting bij de voorzieningenrechter speelde de vraag of de toezichthouder ook de uitbreiding met betonplaten had gezien en goedgekeurd. De toezichthouder verklaarde dat hij de muur had gezien, maar zich niet kon herinneren of de betonplaten er toen al lagen. De boer redeneerde dat de muur op de uitgebreide plaat gebouwd was, en dat de toezichthouder die plaat dus ook moest hebben gezien. Foto's die de gemeente op de zitting toonde, wezen echter uit dat de muur al was geplaatst vóórdat de betonplaten werden aangelegd. Daarmee verviel dit argument.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het vertrouwensbeginsel voor de betonplaten niet slaagde: niet was aangetoond dat de toezichthouder ooit een toezegging heeft gedaan over de uitbreiding van de mestplaat zelf. Tegelijk benadrukte de rechter dat dit niet betekent dat zulke toezeggingen níet zijn gedaan — de situatie bleef volgens de gemeente zelf 'een grijs gebied'.
Dat 'grijze gebied' speelde vervolgens wel een rol bij de beoordeling van de evenredigheid van het handhavend optreden. De rechter stelde vast dat de mestplaat uit 1988 door de gemeenteraad bewust niet was opgenomen in het bestemmingsplan uit 2009, waardoor die onder het overgangsrecht viel. Overgangsrecht is bedoeld als tijdelijke bescherming van bestaande rechten, maar ook gericht op het uiteindelijk verdwijnen van de betreffende situatie. In dit geval was onduidelijk of de gemeente ooit serieus van plan was de mestplaat te laten verdwijnen. Bovendien was sprake van een beperkte uitbreiding die bovendien was gemeld via het Activiteitenbesluit — en die melding was door de gemeente geaccepteerd. Gelet op al deze omstandigheden samen, waaronder de onduidelijkheid rond de uitlatingen van de toezichthouder, de beperkte omvang van de uitbreiding en het ontbreken van duidelijk toekomstperspectief voor het perceel, concludeerde de rechter dat handhaving van de last voor de betonplaten onevenredig was.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de boer gegrond voor zover het de uitbreiding van de mestplaat met betonplaten betreft. De last onder dwangsom wordt in zoverre herroepen. De klinkerverharding — voor zover die geen toegangspad naar de mestplaat vormt — moet de boer alsnog verwijderen of daarvoor een vergunning aanvragen. Voor de klinkerverharding die als oprit dient, mag hij een omgevingsvergunning aanvragen en hoeft hij voorlopig niet te slopen.
Betrokken advocaten
mr. G.R.R. Knarren
eiser
mr. E.M.G. Haagmans
verweerder
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBLIM:2026:958, Rechtbank Limburg, 29-01-2026, ROE 25/3109
Rechtbank Limburg · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBOBR:2025:7779, Rechtbank Oost-Brabant, 26-11-2025, 25/2776 e.v.
Rechtbank Oost-Brabant · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RBLIM:2025:7287, Rechtbank Limburg, 24-07-2025, ROE 22/2911
Rechtbank Limburg · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBOBR:2025:4703, Rechtbank Oost-Brabant, 17-07-2025, SHE 25/1176 OWBOUW
Rechtbank Oost-Brabant · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 maart 2026
Instantie
Rechtbank LimburgRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
ROE 26/319 en ROE 26/321
Procedure
Voorlopige voorziening+bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:2967