Juristi.nl
ECLI:NL:RBMNE:2021:5164Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht

ECLI:NL:RBMNE:2021:5164, Rechtbank Midden-Nederland, 01-10-2021, UTR 21/752 — RBMNE:2021:5164

Samenvatting

Gmw; boete; reclame homeopathische middelen als geneesmiddel op website maatschap; boete te hoog; Beleidsregels VWS 2019; boetedifferentiatieschema; ernst van de overtreding; bereik website klein; verdere matiging boete met 25%; beroep gegrond; zelf voorzien Samenvatting: 1. De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de maatschap met de uitingen over de homeopathische middelen tegen kinkhoest op haar website verboden reclame heeft gemaakt. 2. De rechtbank vindt echter dat een boete van € 15.000 in dit geval te hoog is. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het bereik van de website ‘groot’ is. Dat internet een groot (inter)nationaal bereik heeft, betekent nog niet dat daarmee de website van de maatschap een groot bereik heeft (gehad). Bij de beoordeling van ‘bereik’ gaat het er naar het oordeel van de rechtbank om hoe groot het bereik feitelijk is geweest. Het vinden van een website met behulp van een zoekmachine kan daarbij een rol spelen, maar is op zichzelf niet voldoende omdat dit naar het oordeel van de rechtbank vooral informatie geeft over de theoretische vindbaarheid van een website. Het feitelijke bereik kan bijvoorbeeld worden onderbouwd met het onderzoeken van (de omvang van) het internetverkeer naar de bewuste pagina, het aantal verwijzingen vanaf een zoekmachine of sociale media naar de pagina, het aantal unieke bezoekers en de tijdsduur van elk bezoek. De minister heeft de stelling van de maatschap dat er feitelijk 706 keer is doorgeklikt naar de informatie, wat neerkomt op 3% van de bezoekers van de website, niet betwist. Dit kan er op duiden dat het bereik van de website klein is. 3. De rechtbank oordeelt verder dat er bijzondere omstandigheden zijn die een verdere matiging van de boete rechtvaardigen. Het tijdsverloop tussen de eerste vaststelling van de overtreding en het moment waarop de maatschap van de overtreding op de hoogte was bedraagt acht maanden. Dit tijdsverloop verhoudt zich niet goed tot de noodzaak voor een hoge boete wegens gevaar voor de volksgezondheid of de patiëntveiligheid. Bij een schending van een dermate ernstige norm heeft de minister er belang bij dat de overtreding zo spoedig mogelijk wordt beëindigd. Bovendien zijn de gevolgen van de hoge boete onrechtmatig, nu de maatschap herhaaldelijk en onbetwist heeft gesteld dat de financiële draagkracht van de afzonderlijke maten om de boete te kunnen betalen, zeer beperkt is. De rechtbank vindt dat onder deze omstandigheden in dit geval een verdere matiging van de boete met 25% passend en evenredig is en stelt daarmee de boete vast op € 9.000,-.

Betrokken advocaten

mr. I.A. van Houten

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

1 oktober 2021

Zaaknummer

UTR 21/752

Procedure

Eerste aanleg - meervoudig

ECLI

ECLI:NL:RBMNE:2021:5164

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBMNE:2026:920
Rechtbank Midden-Nederland·9 maart 2026
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
RBMNE:2026:1007
Rechtbank Midden-Nederland·4 maart 2026
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
RBMNE:2026:611
Rechtbank Midden-Nederland·20 februari 2026
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
RBMNE:2026:635
Rechtbank Midden-Nederland·20 februari 2026
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
RBMNE:2026:638
Rechtbank Midden-Nederland·13 februari 2026
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht