ECLI:NL:RBNHO:2021:8825, Rechtbank Noord-Holland, 15-09-2021, AWB 19/4398, AWB 20/6177 en AWB 19/3883 — RBNHO:2021:8825
Samenvatting
Meervoudige kamer – De vreemdeling heeft verzocht om opheffing van het aan haar opgelegde inreisverbod. Dit inreisverbod is haar in 2013 opgelegd bij de afwijzing van de asielaanvraag, omdat artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag op eiseres van toepassing is. Verweerder heeft destijds aangenomen dat eiseres bij terugkeer naar China het risico loopt op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling, nu zij Oeigoerse is. De kinderen van eiseres hebben wel een asielvergunning gekregen en hebben inmiddels de Nederlandse nationaliteit. Daarom heeft eiseres eveneens verzocht om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. De rechtbank heeft eerst het verblijfsrecht bij de kinderen beoordeeld. Niet in geschil is dat eiseres in beginsel voldoet aan de voorwaarden voor dit verblijfsrecht, maar verweerder heeft gesteld dat de 1(F)-vaststelling aan rechtmatig verblijf in de weg staat. De rechtbank heeft voor de beoordeling aansluiting gezocht bij het arrest K. en H.F. en is tot het oordeel gekomen dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd waarom eiseres nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De door eiseres overgelegde stukken hadden aanleiding moeten zijn voor verweerder om eiseres over haar actuele houding ten aanzien van de haar tegengeworpen gedragingen te horen. Verweerder heeft daarnaast onvoldoende gemotiveerd waarom het niet tonen van berouw ten nadele van eiseres meeweegt. Dit vindt geen steun in het arrest K en H.F.. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval de ernst van de feiten uit 2003-2011 die aan de 1(F) tegenwerping ten grondslag zijn gelegd maken dat de bedreiging nog steeds actueel is. Tot slot is in de beoordeling in het kader van de evenredigheid onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de kinderen van eiseres en het gegeven dat eiseres niet zal worden uitgezet in verband met een mogelijk 3 EVRM risico bij uitzetting en het de verwachting is dat dit zo zal blijven. Nu voor de beoordeling in het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om opheffing van het inreisverbod eveneens van belang is om te bepalen of eiseres nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, is ook dat beroep gegrond.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:7121, Rechtbank Den Haag, 27-03-2026, NL25.24480
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:6688, Rechtbank Den Haag, 24-03-2026, NL24.35899, NL24.35900, NL24.35901 en NL24.35902
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:5604, Rechtbank Den Haag, 17-03-2026, NL26.2677
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:5601, Rechtbank Den Haag, 17-03-2026, NL26.2682
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
15 september 2021
Instantie
Rechtbank Noord-HollandRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
AWB 19/4398, AWB 20/6177 en AWB 19/3883
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2021:8825