ECLI:NL:RBNHO:2022:1771, Rechtbank Noord-Holland, 03-03-2022, 15.277396.19 — RBNHO:2022:1771
Samenvatting
De verdachte wordt verweten zich schuldig gemaakt te hebben aan hetgeen in artikel 11a Opiumwet strafbaar is gesteld. Bij strafbare voorbereidingshandelingen moet er steeds sprake zijn van zowel de criminele intentie van de dader als de daaruit voortvloeiende handeling. Om tot een veroordeling te kunnen komen moet allereerst de vraag worden beantwoord of de bedoelde goederen bestemd waren tot het plegen van het telen van hennep in de uitoefening van een beroep of bedrijf (artikel 11, derde lid Opiumwet), dan wel tot het telen van een grote hoeveelheid hennep (artikel 11, vijfde lid Opiumwet) en vervolgens de vraag of de verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die goederen daarvoor bestemd waren. Artikel 11a Opiumwet richt zich niet op de bestrijding van alle hennepteelt, maar nadrukkelijk op de bestrijding van professionele/bedrijfsmatige teelt en/of grootschalige teelt. De combinatie en grote hoeveelheden van de bij de verdachte aangetroffen goederen is op zijn minst genomen geschikt voor de illegale (te weten: professionele en/of grootschalige) hennepteelt en is daarmee verdacht. Deze omstandigheden leveren naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet de vereiste bestemming tot het professionele/bedrijfsmatige of het grootschalige karakter van de beoogde hennepteelt op, zoals hiervoor bedoeld. Die bestemming kan in dit geval niet zonder meer worden afgeleid uit de aard en de hoeveelheid van de aangetroffen goederen. Nu evenwel de concrete bestemming van de goederen die in het pand van de verdachte zijn aangetroffen, niet uit het dossier naar voren komt en de verdachte zijn onderneming drijft als groothandel, kunnen de goederen door zijn afnemers of verdere afnemers evengoed gebruikt worden ten behoeve van kleinschalige, niet-professionele hennepteelt dan wel voor andere niet-hennep gerelateerde doeleinden. Uit de stukken blijkt niet onmiskenbaar dat de verdachte handelingen heeft verricht waaruit zou blijken dat hij bewust professionele/bedrijfsmatige of grootschalige hennepteelt heeft gefaciliteerd. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is evenmin vast komen te staan dat de verdachte wetenschap had of ernstige reden had om te vermoeden dat de goederen bestemd zouden zijn tot het plegen van professionele/bedrijfsmatige of grootschalige, hennepteelt. De conclusie is daarom dat de verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken en dat hetgeen in beslag is genomen, aan de verdachte moet worden teruggegeven.
Betrokken advocaten
mr. D. Sarian
verdachte
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBMNE:2026:296, Rechtbank Midden-Nederland, 02-02-2026, 16/327615-22
Rechtbank Midden-Nederland · Strafrecht
ECLI:NL:RBNHO:2025:15614, Rechtbank Noord-Holland, 24-12-2025, 15/057970-23
Rechtbank Noord-Holland · Strafrecht
ECLI:NL:RBNHO:2025:15613, Rechtbank Noord-Holland, 24-12-2025, 15/058208-23
Rechtbank Noord-Holland · Strafrecht
ECLI:NL:RBNHO:2025:12846, Rechtbank Noord-Holland, 07-11-2025, 15-293265-22
Rechtbank Noord-Holland · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
3 maart 2022
Instantie
Rechtbank Noord-HollandRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
15.277396.19
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2022:1771