ECLI:NL:RBNHO:2024:8183, Rechtbank Noord-Holland, 12-08-2024, 23/5505 — RBNHO:2024:8183
Samenvatting
Eiseressen nemen regelmatig deel aan demonstraties in Haarlem in winkels en ook bij het Provinciehuis. Verweerder heeft eiseressen in vier aparte besluiten gelast om er per direct voor te zorgen dat zij geen overtreding van artikel 8 van de Wet openbare manifestaties (Wom) begaan. Dit op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding, met een maximum van € 5.000,-. Eiseressen hebben hiertegen beroepen ingediend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet bevoegd was om de lasten onder dwangsom op te leggen omdat de lasten in strijd zijn met de uitgangspunten en systematiek van de Wom. Daarnaast zijn de lasten ook in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. Zo is in de formulering van de lasten niet concreet aangegeven wat het doel van de lasten is. Uit de lasten blijkt evenmin op welke niet-openbare locatie binnen Haarlem de lasten van toepassing zijn. Ook is niet duidelijk welke concrete demonstratie op grond van artikel 8 Wom terstond beëindigd dient te worden omdat de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden dat vordert. Indien eiseressen deel wensen te nemen aan een demonstratie in Haarlem op een niet-openbare locatie, is voor hen van te voren niet duidelijk of zij de gegeven lasten zullen overtreden. Pas nadat verweerder een opdracht op grond van artikel 8 Wom heeft gegeven en dit ook aan eiseressen wordt meegedeeld, wordt duidelijk wat eiseressen moeten doen of nalaten om de overtreding te beëindigen. De norm waaraan moet worden voldaan, ontstaat daarom pas op een later moment. Of de omstandigheden op dat moment vergelijkbaar zijn met de demonstratie op 17 oktober 2022 bij het provinciehuis of die van 1 oktober bij de Albert Heijn te Haarlem, is op voorhand echter niet duidelijk. Ten slotte volgt uit vaste jurisprudentie dat bij een last ter voorkoming van herhaling, de handhavingsbevoegdheid van het bestuursorgaan bij incidentele overtredingen kan komen te vervallen. Dit betreft de zogenaamde bevoegdheidsvervaltermijn. Wanneer de handhavingsbevoegdheid precies vervalt, is niet in algemene zin te zeggen. Overtredingen en de overtreden wet- en regelgeving lopen namelijk sterk uiteen. Deze termijn zal daarom per overtreding moeten worden vastgesteld. Verweerder heeft in de opgelegde lasten echter geen bevoegdheidsvervaltermijn opgenomen.De beroepen zijn daarom gegrond.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2025:10335, Rechtbank Amsterdam, 17-12-2025, C/13/767885 HA ZA 25-959
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:RVS:2025:5955, Raad van State, 10-12-2025, 202302272/1/R4
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBGEL:2025:10366, Rechtbank Gelderland, 04-12-2025, ARN 24/3387
Rechtbank Gelderland · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ECLI:NL:RVS:2025:5682, Raad van State, 03-12-2025, 202300010/1/A3
Raad van State · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
12 augustus 2024
Instantie
Rechtbank Noord-HollandRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
23/5505
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2024:8183