Zorgverlener krijgt geen betaling na zelf stoppen met zorg — RBNHO:2025:10823
zorgovereenkomst / betalingsgeschil / onrechtmatige daad (laster)
Eiser / verzoeker
Zorgverlener (eiseres)
Verweerder / gedaagde
Echtgenote van zorgontvanger (gedaagde)
Alle vorderingen van de zorgverlener zijn afgewezen en zij is veroordeeld in de proceskosten.
- Zorgverlener heeft de zorgovereenkomst zelf per direct beëindigd op 6 december 2022 en heeft daardoor geen recht op vergoeding voor de resterende periode van december.
- Geen verhindering door echtgenote aangenomen: emotioneel gesprek en spanningen zijn onvoldoende grond; ook de opstelling van de zorgverlener speelde een rol.
- Beroep op artikel 7:411 BW faalt omdat de voortijdige beëindiging voor rekening en risico van de zorgverlener zelf komt.
- Het eenzijdig aanpassen van het wijzigingsformulier door de echtgenote was op zichzelf onrechtmatig, maar causaal verband met de gevorderde schade ontbreekt omdat de zorgverlener al geen recht op vergoeding had.
- Vordering wegens onrechtmatige laster afgewezen: de brief van februari 2023 bevat grotendeels persoonlijke beleving en de zorgverlener heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van feitelijk onjuiste en onrechtmatige uitlatingen.
Samenvatting
Een zorgverlener uit Noord-Holland die jarenlang zorg en dagbesteding leverde aan een Parkinsonpatiënt via zijn persoonsgebonden budget, stapte in december 2022 per direct op na een emotioneel gesprek met de echtgenote van de patiënt. Daarna eiste de zorgverlener alsnog betaling voor de rest van de maand, én schadevergoeding wegens een brief die de echtgenote over haar had geschreven. De kantonrechter wees alle vorderingen af.
De samenwerking tussen de zorgverlener en de echtgenote, die namens haar zieke man optrad, liep al langere tijd slecht. Partijen hadden al afgesproken dat de zorg per 31 december 2022 zou eindigen. Op 6 december 2022 vond een gespannen gesprek plaats in de woning van de echtgenote. De zorgverlener verliet het gesprek vroegtijdig — nadat de broer en schoonzus van de echtgenote waren binnengekomen — en stuurde diezelfde avond nog een e-mail met de mededeling dat zij de zorg 'per direct' beëindigde, uit bezorgdheid voor de veiligheid van haar personeel.
De zorgverlener stelde dat de echtgenote haar had verhinderd de werkzaamheden uit te voeren, door negatieve en onjuiste uitlatingen tegenover derden en door haar houding tijdens het gesprek. De kantonrechter ging daar niet in mee. Uit de geluidsopname van het gesprek bleek weliswaar dat de sfeer emotioneel en onprettig was, maar dat was onvoldoende bewijs dat de echtgenote de zorgverlening feitelijk onmogelijk had gemaakt. Ook de zorgverlener zelf had een aandeel in de verslechterde verhouding. De keuze om per direct te stoppen lag bij de zorgverlener, drie weken eerder dan de al overeengekomen einddatum.
De zorgverlener deed ook een beroep op artikel 7:411 van het Burgerlijk Wetboek, dat recht geeft op een redelijke vergoeding als een opdracht voortijdig eindigt. Maar ook dat slaagde niet: omdat de zorgverlener zelf had opgezegd zonder dat het gedrag van de echtgenote dat rechtvaardigde, kwamen de financiële gevolgen voor eigen rekening.
Een apart punt was dat de echtgenote na het vertrek van de zorgverlener een al eerder ingevuld en ondertekend wijzigingsformulier had aangepast — met een nieuwe beëindigingsdatum — en dat zonder medeweten naar Zorgkantoor VGZ had gestuurd. Dat de zorgverlener haar handtekening had gezet onder een andere versie, was daarmee niet meer zichtbaar. De kantonrechter noemde dit op zichzelf onrechtmatig. Toch leidde dit niet tot schadevergoeding, omdat de zorgverlener al geen recht meer had op de vergoeding over de periode na 6 december: zij had de zorg immers zelf gestopt. Het causaal verband tussen het aanpassen van het formulier en de misgelopen betaling ontbrak daarmee.
De zorgverlener vorderde ook een verklaring dat een brief die de echtgenote in februari 2023 had geschreven — met haar visie op de samenwerking en verwijten aan het adres van de zorgverlener — onrechtmatige laster bevatte. Ook dat wees de rechter af. De brief bevatte hoofdzakelijk persoonlijke beleving en ervaringen van de echtgenote, en de zorgverlener had onvoldoende onderbouwd dat de inhoud feitelijk onjuist was of dat er sprake was van onrechtmatige laster.
Al met al werden alle vorderingen van de zorgverlener afgewezen. De zorgverlener werd veroordeeld in de proceskosten.
Betrokken advocaten
mr. C.H.J. Palmen
verweerder
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBNHO:2025:15042, Rechtbank Noord-Holland, 18-12-2025, C/15/356084 / FA RK 24-4307
Rechtbank Noord-Holland · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBNHO:2025:11971, Rechtbank Noord-Holland, 23-10-2025, 368220
Rechtbank Noord-Holland · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:RBNHO:2022:1460, Rechtbank Noord-Holland, 22-02-2022, C/15/311823 / FA RK 20-7276
Rechtbank Noord-Holland · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBNHO:2021:11860, Rechtbank Noord-Holland, 22-12-2021, C/15/312843 / FA RK 21-610
Rechtbank Noord-Holland · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
Gegevens
Datum uitspraak
20 augustus 2025
Instantie
Rechtbank Noord-HollandRechtsgebied
Civiel Recht; VerbintenissenrechtZaaknummer
11525574
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2025:10823