Juristi.nl
ECLI:NL:RBNHO:2026:3657Strafrecht

Bestuurder schuldig aan dood fietser na te hoge snelheid bij kruising — RBNHO:2026:3657

verkeersongeval / schuld aan dood en zwaar lichamelijk letsel (art. 6 WVW 1994)

Eiser / verzoeker

Officier van justitie (Openbaar Ministerie)

VS

Verweerder / gedaagde

Verdachte (geboren 1971)

Verdachte schuldig bevonden aan primair tenlastegelegde schuldige veroorzaking van een verkeersongeval met de dood van één fietser en zwaar lichamelijk letsel bij een andere fietser tot gevolg (artikel 6 WVW 1994).

  • Maximumsnelheid ter plaatse was 60 km/u; verdachte reed vlak voor de botsing nog 74,6 km/u, eerder zelfs 108 km/u.
  • Verweer dat fietsers onzichtbaar waren door hoogstaand riet verworpen op basis van forensisch onderzoek en foto's.
  • Gebrek aan zicht vóór de kruising verplichtte verdachte juist tot extra snelheidsaanpassing, niet enkel tot rijden binnen maximumsnelheid.
  • Verdachte kende de verkeerssituatie, reed er wekelijks, maar liet na zijn snelheid af te stemmen op de aard van de kruising.
  • Rechtbank kwalificeert het rijgedrag als zeer onvoorzichtig en onoplettend; bewezenverklaring primair feit (art. 6 WVW 1994).

Samenvatting

Op 12 augustus 2024 reed een man in zijn bedrijfsauto over de Burgerweg in Hippolytushoef. Bij een T-splitsing met de Polderweg botste hij met grote kracht op twee wielrenners die van rechts kwamen. Één van hen, slachtoffer [slachtoffer 1], overleed aan zijn verwondingen. De tweede wielrenner, [slachtoffer 2], liep ernstig letsel op: twintig gebroken ribben, een gecompliceerde enkelbreuk, een gebroken sleutelbeen, een breuk in het schaambeen, twee gebroken middenhandsbeentjes, een bloeding in de milt en een kleine klaplong.

De verdachte stond terecht voor schuld aan een verkeersongeval met dodelijke afloop en zwaar lichamelijk letsel. Zijn advocaat voerde aan dat de man vrijgesproken moest worden. De raadsman betoogde onder meer dat niet vaststond dat zijn cliënt te hard reed: een verbalisant had de maximumsnelheid op 60 km/u gesteld, maar verwees daarvoor naar een wetsartikel dat eigenlijk een maximumsnelheid van 80 km/u voorschrijft voor wegen buiten de bebouwde kom. Ook stelde de verdediging dat de fietsers onmogelijk zichtbaar konden zijn geweest door hoogstaand riet langs de Polderweg. Tot slot werd gewezen op het ontbreken van een zogenoemde vermijdbaarheidsanalyse in het dossier.

De rechtbank verwierp deze verweren. Uit twee processen-verbaal bleek dat ter plaatse een maximumsnelheid van 60 km/u gold — en de verdachte zelf had bij de politie verklaard ook die snelheid van toepassing te achten. Toch bleek uit technisch onderzoek dat de man op enig moment 108 km/u had gereden. Vlak voor de botsing, op veertien meter van de kruising, reed hij nog steeds 74,6 km/u — ruim boven het toegestane maximum.

Ook het argument over het riet sneed geen hout. Forensisch onderzoek toonde aan dat de verdachte, nadat hij bosschages langs de Burgerweg was gepasseerd, kort vóór de kruising vrij zicht had op de Polderweg. Foto's uit het dossier bevestigden dat het riet lager stond dan de wielkast van een auto op de Polderweg, zodat naderende fietsers zichtbaar hadden kunnen zijn.

Wat de rechtbank zwaar woog, was de combinatie van omstandigheden: de Burgerweg was een smalle weg, er naderde een T-splitsing waar rechts voorrang gold, en juist vlak voor die kruising was het zicht op de Polderweg belemmerd door bosschages. Dat gebrek aan zicht maakte het des te noodzakelijker om niet alleen binnen de maximumsnelheid te blijven, maar ook de snelheid verder aan te passen zodat de verdachte de kruising goed kon overzien en tijdig voorrang kon verlenen. De verdachte kende de situatie bovendien goed: hij reed er naar eigen zeggen wekelijks.

De rechtbank concludeerde dat de verdachte door te hoge snelheid niet in staat was de kruising te overzien en aan de van rechts komende wielrenners voorrang te verlenen. Zijn gedrag werd gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en onoplettend rijden in de zin van de Wegenverkeerswet. De rechtbank sprak hem schuldig aan het primair tenlastegelegde feit: schuld aan een verkeersongeval met de dood van één slachtoffer en zwaar lichamelijk letsel bij het andere slachtoffer als gevolg. De concrete strafoplegging is in de uitspraak niet volledig opgenomen in de beschikbare tekst, maar de bewezenverklaring van het zwaarste feit staat vast.

Betrokken advocaten

mr. T. van der Goot

verdachte

Anker & Anker Strafrechtadvocaten, LEEUWARDEN

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

7 april 2026

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

15/219022-25

Procedure

Eerste aanleg - meervoudig

ECLI

ECLI:NL:RBNHO:2026:3657

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken