Juristi.nl
ECLI:NL:RBNNE:2018:3299Bestuursrecht; Ambtenarenrecht

ECLI:NL:RBNNE:2018:3299, Rechtbank Noord-Nederland, 14-08-2018, LEE 18/438 — RBNNE:2018:3299

Samenvatting

AW. Niet langer gebruik door hondengeleiders van de dienstauto voor het vervoer van de diensthond voor woon-werkverkeer. Artikel 8 van de Regeling voorzieningen hondengeleiders, Arbowet, artikel 1 van het EP bij het EVRM en artikel 8 van het EVRM. Uit de bewoordingen van en toelichting bij artikel van artikel 8 van de Regeling van het woord 'auto', heeft de rechtbank afgeleid dat daaronder moet worden verstaan privéauto. Artikel 27, eerste lid, van de Politiewet 2012 biedt een voldoende wettelijke grondslag voor het niet langer aan eisers (permanent) ter beschikking stellen van een dienstauto voor het vervoer van de diensthond voor het woon-werkverkeer. Daarbij is gewezen op de toelichting bij de Politiewet 2012, waarin is opgenomen dat van beheer sprake is bij onder andere de verdeling van middelen over de territoriale en functionele eenheden dan wel de werkprocessen. Tevens is van belang geacht de achtergrond van de vaststelling van de Regeling om te komen tot een uniforme landelijke regeling voor alle hondengeleiders. De reis per auto met diensthond tussen de woning en de plaats van tewerkstelling, is geen arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder f, van de Arbowet. Als arbeidsplaats voor eisers dient te worden aangemerkt de plaats van tewerkstelling dan wel de opkomstlocatie. Ook is de diensthond, indien zij met hun dienstauto onderweg zijn naar de plaats van tewerkstelling, niet als arbeidsmiddel aan te merken in de zin van artikel 1, derde lid, aanhef en onder h, van de Arbowet. De tijd die nodig is voor het vervoer van de diensthond vanaf de woning naar de plaats van tewerkstelling dan wel opkomstlocatie is geen arbeidstijd als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder eerste lid, van Richtlijn 2003/88/EG. Eisers zijn op dat moment nog niet fysiek aanwezig op de door verweerder aangewezen plaats van tewerkstelling dan wel opkomstlocatie en dat zich niet beschikbaar houden voor verweerder. Daarmee wordt niet voldaan aan de kwalificatie van arbeidstijd, zoals die door het Hof in het arrest van 21 februari 2018 ((ECLI:NL:C:2018:82) is uitgelegd. Het inleveren van de dienstauto en het moeten gebruiken van de eigen privéauto voor het vervoer van de hond, is een regulering in het eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Die regulering in het eigendomsrecht is bij wet in materiële wet voorzien en ook ligt daaraan een legitieme doelstelling in het algemeen belang ten grondslag, te weten een efficiënt en financieel verantwoord gebruik van het wagenpark. Het inleveren van de dienstauto leidt voor eisers niet tot een buitensporig zware last. Daarbij heeft de rechtbank van belang dat geacht dat bij de vaststelling van de Regeling is voorzien in een ruime overgangstermijn van zes jaar en dat eisers ruim de tijd hebben gehad om zich op de verandering in te stellen. Verder is van belang dat eisers na het inleveren van de dienstauto recht hebben op een hogere reiskostenvergoeding en dat aan hen voor het vervoer van de diensthond en transportkooi of een aanhangwagen ter beschikking wordt gesteld. De rechtbank oordeelt dat het beëindigen van het gebruik van een dienstauto voor woon- en werkverkeer niet leidt tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Voor zover het gebruik van de eigen privéauto voor het vervoer van de diensthond voor het woon-werkverkeer al een inmenging op het recht van eisers op hun privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM inhoudt, betekent dit nog niet dat die inmenging tot een ontoelaatbare inbreuk leidt. De inbreuk in het recht op de persoonlijke levenssfeer van eisers voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Daarbij heeft op zorgvuldige wijze een afweging tussen het belang van eisers en verweerder plaatsgevonden. Het inleveren van de dienstauto acht de rechtbank niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Beroep ongegrond.

Betrokken advocaten

mr. W. de Klein

eiser

Nederlandse Politiebond, BAARN

mr. M. van Wensen

eiser

mr. M.M.T. Schrijver

eiser

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

14 augustus 2018

Zaaknummer

LEE 18/438

Procedure

Bodemzaak

ECLI

ECLI:NL:RBNNE:2018:3299

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBNNE:2024:5039
Rechtbank Noord-Nederland·20 december 2024
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
RBNNE:2024:2245
Rechtbank Noord-Nederland·7 juni 2024
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
RBNNE:2024:2247
Rechtbank Noord-Nederland·7 juni 2024
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
RBNNE:2023:5124
Rechtbank Noord-Nederland·7 december 2023
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
RBNNE:2023:277
Rechtbank Noord-Nederland·26 januari 2023
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht