ECLI:NL:RBNNE:2018:3302, Rechtbank Noord-Nederland, 14-08-2018, LEE 18/472 — RBNNE:2018:3302
Samenvatting
AW. Niet langer gebruik door hondengeleiders van de dienstauto voor het vervoer van de diensthond voor woon-werkverkeer. Artikel 1 van het EP bij het EVRM (eigendomsrecht) en artikel 8 van het EVRM (persoonlijke levenssfeer). De rechtbank oordeel dat de reis per auto met diensthond tussen de woning en de plaats van tewerkstelling, geen arbeidsplaats is als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder f, van de Arbowet. Als arbeidsplaats voor eisers dient te worden aangemerkt de plaats van tewerkstelling dan wel de opkomstlocatie. Ook is de diensthond, indien zij met hun dienstauto onderweg zijn naar de plaats van tewerkstelling, niet als arbeidsmiddel aan te merken in de zin van artikel 1, derde lid, aanhef en onder h, van de Arbowet. Daartoe is van belang dat de diensthond op dat moment nog niet door eiser wordt ingezet. Dat eiser als hondengeleider permanent verantwoordelijk is voor de diensthond en dat de diensthond ook buiten diensttijd moet worden verzorgd – hetgeen door verweerder ook niet is weersproken – betekent nog niet dat de diensthond om die reden als arbeidsmiddel in de zin van artikel 1, derde lid, aanhef en onder h, van de Arbowet dient te worden aangemerkt. Dat, zoals eiser stelt, de diensthond onder toezicht staat van eiser ter uitvoering van de politietaak en kan worden ingezet als geweldsmiddel, maakt dat niet anders. De diensthond wordt door de hondengeleider op commando ingezet bij ordeverstoringen dan wel bij andere bepaalde werkzaamheden. Dat eiser als politieambtenaar buiten diensttijd verplicht is om te treden als dat noodzakelijk is, betekent niet dat verweerder de diensthond als arbeidsmiddel had moeten aanmerken. Van belang daarbij is dat de diensthond buiten diensttijd en in privé-tijd niet als geweldmiddel mag worden ingezet. Daarbij geldt dat de reis per auto voor het woon-werkverkeer geen arbeidsplaats is. Het inleveren van de dienstauto en het moeten gebruiken van de eigen privéauto voor het vervoer van de hond, is een regulering in het eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Die regulering in het eigendomsrecht is bij wet in materiële wet voorzien (artikel 8 van de Regeling) en ook ligt daaraan een legitieme doelstelling in het algemeen belang ten grondslag, zoals een efficiënt en financieel verantwoord gebruik van het wagenpark. Daarbij komt dat een aanvaardbare vorm van compensatie wordt geboden voor het wegvallen van de mogelijkheid om de dienstauto voor woon-werkverkeer te gebruiken, in de vorm van een hogere reiskostenvergoeding en andere in de Regeling opgenomen vervoersvoorzieningen. Het inleveren van de dienstauto leidt voor eisers niet tot een buitensporig zware last. Daarbij heeft de rechtbank van belang dat geacht dat bij de vaststelling van de Regeling is voorzien in een ruime overgangstermijn van zes jaar en dat eisers ruim de tijd hebben gehad om zich op de verandering in te stellen. Verder is van belang dat eisers na het inleveren van de dienstauto recht hebben op een hogere reiskostenvergoeding en dat aan hen voor het vervoer van de diensthond en transportkooi of een aanhangwagen ter beschikking wordt gesteld. De rechtbank oordeelt dat het beëindigen van het gebruik van een dienstauto voor woon- en werkverkeer niet leidt tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Voor zover het gebruik van de eigen privéauto voor het vervoer van de diensthond voor het woon-werkverkeer al een inmenging op het recht van eisers op hun privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM inhoudt, betekent dit nog niet dat die inmenging tot een ontoelaatbare inbreuk leidt. De inbreuk in het recht op de persoonlijke levenssfeer van eisers voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Daarbij heeft een kenbare afweging tussen het belang van eisers en verweerder plaatsgevonden. Het geheel van de voor de te verrichten belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden, maakt dat verweerder bij de ‘fair balance’ zich met de gegeven motivering in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de inlevering van de dienstauto niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Beroep ongegrond.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBZWB:2025:8924, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15-12-2025, 25/577
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:RBZWB:2025:8925, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15-12-2025, 25/578 t/m 25/580
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:RBZWB:2025:8921, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15-12-2025, 25/570 t/m 25/572
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:RBZWB:2025:8923, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15-12-2025, 25/576
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Bestuursrecht; Belastingrecht
Gegevens
Datum uitspraak
14 augustus 2018
Instantie
Rechtbank Noord-NederlandRechtsgebied
Bestuursrecht; AmbtenarenrechtZaaknummer
LEE 18/472
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2018:3302