ECLI:NL:RBNNE:2022:1551, Rechtbank Noord-Nederland, 18-05-2022, 18/211346-21 — RBNNE:2022:1551
Samenvatting
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot ambtsdwang, bedreiging van een gemeenteambtenaar en lokaalvredebreuk. Aangever heeft ter terechtzitting, in zijn slachtofferverklaring aangegeven dat de feiten grote impact op hem hebben gehad en ook nog steeds op hem hebben. De uitlatingen van verdachte hebben aangever ernstig aangetast in zijn gevoel van veiligheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte met die uitlatingen duidelijk de grenzen van het toelaatbare overschreden en heeft hij zijn slachtoffer angst aangejaagd. Het feit dat de bedreigingen gericht waren tegen een gemeenteambtenaar rekent de rechtbank verdachte zeer aan. Beoordeling van het verweer ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering: De rechtbank constateert dat uit het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 september 2021 blijkt dat bij het onderzoek van de tablet van verdachte het verschoningsrecht van de advocaat van verdachte niet is gerespecteerd. Hoewel het betreffende e-mailbericht, gelet op de geadresseerde, onmiskenbaar althans zeer waarschijnlijk een geheimhoudersstuk betrof, te weten correspondentie tussen verdachte en zijn advocaat, een verschoningsgerechtigde, heeft verbalisant daarin ten onrechte geen aanleiding gezien om zich terughoudend op te stellen en geen enkele maatregel genomen of waarborg geschapen om schendingen van het verschoningsrecht te voorkomen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. Het onderzoek aan de in beslag genomen tablet van verdachte had niet op deze wijze mogen plaatsvinden. Met dit vormverzuim is inbreuk gemaakt op fundamentele rechten van verdachte, te weten het verschoningsrecht en het recht op geheimhouding voor geheimhouders. In de omstandigheden van dit geval komt de sanctie van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie evenwel niet in aanmerking, en wel op grond van het navolgende: - de rechtbank acht niet aannemelijk dat de kennisneming van het geheimhoudersstuk van invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek; - voorts is niet gebleken dat de kennisneming van het geheimhoudersstuk ten aanzien van het tenlastegelegde feitelijk ten nadele van verdachte heeft gestrekt. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen betreft het een emailbericht waarvan de inhoud gelijk is aan een emailbericht dat door verdachte aan vele andere ontvangers is verzonden. Naar het oordeel van de rechtbank zal de sanctie dan ook niet moeten bestaan in de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie of bewijsuitsluiting maar in strafvermindering. Niet kan worden volstaan met de enkele constatering dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Daarvoor is het belang dat met het verschoningsrecht wordt gerespecteerd te groot en de specifieke schending daarvan in dit geval te ernstig. Strafmotivering: De rechtbank komt tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen, onder aftrek van voorarrest. De rechtbank komt tot oplegging van een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd omdat zij de (buitensporig) hoge eis niet passend vindt voor de bewezenverklaarde feiten. Gelet op hetgeen de rechtbank ten aanzien van het onherstelbare vormverzuim heeft overwogen zal de rechtbank de gevangenisstraf van 200 dagen verminderen met 20 dagen, zodat 180 dagen gevangenisstraf resteert. De rechtbank acht die vermindering voldoende recht doen aan de geconstateerde schending. De rechtbank overweegt met betrekking tot de door de officier van justitie gevorderde terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van verdachte en de gevorderde gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z WvSv dat zij ook deze eisen van de officier van justitie niet passend vindt voor de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank wijst er ten overvloede op dat ten aanzien van genoemde maatregelen in zowel de pro Justitia rapportages als het reclasseringsadvies negatief wordt geadviseerd. De rechtbank heeft bij de straftoemeting voorts meegewogen dat door de gemeente Hoogeveen reeds restricties aan verdachte zijn opgelegd die zijn vrije toegang tot het gemeentehuis en zijn contacten met medewerkers van de gemeente (zeer) beperken. Het moet evenwel voor verdachte mogelijk blijven zich als burger tot de overheid te wenden. Gelet hierop zal de rechtbank niet overgaan tot het opleggen van een verderstrekkende vrijheidsbeperkende maatregel, zoals een contact en/of locatieverbod, zoals door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank overweegt dat het in het kader van recidive-inperking veeleer op de weg van de gemeente ligt om, in samenspraak met de Hoogeveense Ombudsman, zo spoedig mogelijk te komen tot een structurele oplossing van het onderliggende geschil tussen verdachte en de gemeente Hoogeveen.
Betrokken advocaten
mr. J.G.F. van Boven
verdachte
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBNNE:2025:5319, Rechtbank Noord-Nederland, 19-12-2025, 18.022477.25
Rechtbank Noord-Nederland · Strafrecht; Materieel Strafrecht
ECLI:NL:RBNNE:2025:5344, Rechtbank Noord-Nederland, 19-12-2025, 18/201473-25
Rechtbank Noord-Nederland · Strafrecht; Materieel Strafrecht
ECLI:NL:RBNNE:2025:5118, Rechtbank Noord-Nederland, 02-12-2025, 18-336272-24
Rechtbank Noord-Nederland · Strafrecht; Materieel Strafrecht
ECLI:NL:RBNNE:2025:4833, Rechtbank Noord-Nederland, 28-11-2025, 10-076492-25
Rechtbank Noord-Nederland · Strafrecht; Materieel Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
18 mei 2022
Instantie
Rechtbank Noord-NederlandRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
18/211346-21
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2022:1551