ECLI:NL:RBNNE:2024:2070, Rechtbank Noord-Nederland, 27-05-2024, LEE 24/1586 — RBNNE:2024:2070
Samenvatting
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening over de aan verzoekster verleende revisie omgevingsvergunning milieu voor de inrichting op het perceel [adres]. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen, het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening vereist. In de eerste plaats is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door verzoekster gestelde financiële belemmeringen om aan de luchtemissie-eisen te voldoen, geen spoedeisend belang opleveren. Volgens vaste rechtspraak is een financieel belang in de regel op zichzelf onvoldoende om een voorlopige voorziening te treffen. Een spoedeisend belang kan wel worden aangenomen, als aannemelijk is dat verzoekster in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren. Daarvan kan sprake zijn als de continuïteit van de bedrijfsvoering in gevaar komt als geen voorlopige voorziening wordt getroffen. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat daarvan sprake is. Verzoekster bestrijdt namelijk niet dat zij over voldoende financiële middelen beschikt om aan de luchtemissie-eisen te voldoen. Er dreigt in dit geval voor verzoekster geen onomkeerbare situatie, zoals faillissement of acute financiële nood. Dat verzoekster mogelijk omzetverlies lijdt door zich aan de eisen te houden, maakt dit niet anders. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak eventueel onrechtmatig geleden financieel nadeel alsnog aan verzoekster worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. De voorzieningenrechter betrekt tot slot ook dat verzoekster de gestelde financiële belemmeringen niet in het jarenlange vooroverlegtraject en ook niet in de aanvraagfase naar voren heeft gebracht. In de tweede plaats betrekt de voorzieningenrechter dat niet gebleken is dat er voor verzoekster technische belemmeringen zijn om aan de bestreden luchtemissie-eisen te voldoen. Ter zitting is dit namens verzoekster bevestigd. Als derde ziet de voorzieningenrechter in de door verzoekster aangevoerde praktische belemmeringen om aan de luchtemissie-eisen te voldoen, geen aanleiding om onverwijlde spoed aan te nemen. Zij betrekt daarbij dat verzoekster zelf om uitbreiding van haar productiecapaciteit en bijbehorende filtersystemen heeft gevraagd. In de daaropvolgende jarenlange aanvraagfase heeft verzoekster in overleg met het college voorbereidingen getroffen voor de vergunningverlening. Het lag op de weg van verzoekster om op die verlening te anticiperen, bijvoorbeeld door op tijd te voorzien in voldoende gekwalificeerd personeel. Nu de betwiste luchtemissie-eisen in de ontwerpvergunning zijn opgenomen, heeft verzoekster daarvoor ook tijd gehad. Dat verzoekster meent dat de luchtemissie-eisen juridisch gezien niet juist zijn, neemt niet weg dat zij wel praktische voorbereidingen kon treffen om aan die eisen te gaan voldoen. Ook bestrijdt verzoekster niet dat het controle- en beheerplan in concept klaarligt, dat het plan al is besproken met het college en dat het college open staat voor vaststelling van dat plan. Daarnaast zijn partijen het erover eens dat verzoekster tot 1 oktober 2026 haar werktijden niet mag uitbreiden naar volcontinue. De voorzieningenrechter volgt verzoekster daarom niet in haar betoog dat zij wekelijks onvoldoende tijd heeft om de filters te vervangen. Dat het vervangen van filters mogelijke extra vrachtwagenbewegingen tot gevolg heeft, levert voor verzoekster niet (alsnog) een spoedeisend belang op. Gesteld noch anderszins aannemelijk is gemaakt dat die extra bewegingen verzoekster belemmeren om aan de luchtemissie-eisen te voldoen. Tot slot betekent verzoeksters enkele vrees voor handhaving evenmin dat sprake is van onverwijlde spoed. Het staat niet op voorhand vast dat bij controles van de inrichting overtredingen van de luchtemissie-eisen zullen worden vastgesteld, nog daargelaten of het college bij eventuele overtredingen handhavend zal optreden. Verzoekster kan tegen een eventueel handhavingsbesluit in een separate procedure opkomen. De voorzieningenrechter wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. De voorzieningenrechter stelt vast dat met de afwijzing van dit verzoek om voorlopige voorziening de omgevingsvergunning van 14 februari 2024 in werking treedt op de dag nadat deze uitspraak aan partijen is verzonden.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBMNE:2026:137, Rechtbank Midden-Nederland, 23-01-2026, UTR 25/2443, UTR 25/2444, UTR 25/2440 en UTR 25/2446, UTR 25/2442 en UTR 25/2447
Rechtbank Midden-Nederland · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RBNNE:2026:82, Rechtbank Noord-Nederland, 15-01-2026, LEE 25/774
Rechtbank Noord-Nederland · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2026:217, Raad van State, 14-01-2026, 202304429/1/R3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBNNE:2025:5497, Rechtbank Noord-Nederland, 23-12-2025, LEE AWB 25/5078
Rechtbank Noord-Nederland · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 mei 2024
Instantie
Rechtbank Noord-NederlandRechtsgebied
Bestuursrecht; OmgevingsrechtZaaknummer
LEE 24/1586
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2024:2070