Juristi.nl
ECLI:NL:RBNNE:2024:2520Bestuursrecht; Omgevingsrecht

ECLI:NL:RBNNE:2024:2520, Rechtbank Noord-Nederland, 02-07-2024, LEE 23/1215 (Tussenuitspraak) — RBNNE:2024:2520

Samenvatting

Omgevingsvergunning voor de bouw van 44 bedrijfsunits in Emmen De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan “Emmen – Bedrijvenpark Waanderveld”. Dat bestemmingsplan laat bedrijfsgebouwen toe (artikel 3.1, aanhef en onder b, van de planregels). Verder zijn bedrijven in de milieucategorie 1 en 2 die zijn opgenomen in de bij de planregels horende staat van inrichtingen toegestaan. Uit die staat van inrichtingen volgt dat bedrijven voor verhuur van en handel in onroerend goed zijn toegelaten. Ook zijn de door de vergunninghouder genoemde aannemersbedrijven op het perceel toegestaan. Gelet hierop zijn de beoogde activiteiten op de aangevraagde locatie naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de planregels. Eisers beroep op de plantoelichting maakt dit niet anders. In dit geval zijn de bestemming en de planregels voldoende duidelijk. De rechtbank is voorts van oordeel dat eisers stellingen geen concrete aanknopingspunten bieden voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het welstandsadvies van 29 november 2021, de begrijpelijkheid van de in dat advies gevolgde redenering en/of het aansluiten van de conclusies daarop. In het advies staat wat de welstandscommissie per behandeling van het bouwplan vond. Uiteindelijk heeft de welstandscommissie akkoord gegeven op het aangepaste bouwplan. Het enkele feit dat het bouwplan vijf keer door de welstandscommissie is behandeld, maakt niet dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser voert bovendien geen gronden aan tegen de inhoud van het welstandsadvies. Het college mocht zijn standpunt dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand daarom baseren op dat advies. Deze situatie is niet vergelijkbaar met het project aan Waanderweg 24. De rechtbank komt vervolgens tot het oordeel dat het college onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd of in dit geval is voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Het college heeft bij de vaststelling van de parkeerbehoefte de keuze gemaakt om het project te beoordelen aan de hand van de parkeernorm voor de functie ‘Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’ als bedoeld in de CROW-parkeerkencijfers. Het college heeft bij het vaststellen van de parkeernorm gekozen om de ondergrens van de bandbreedte (0,8 – 1,3) in de parkeerkencijfers voor die functie toe te passen, te weten 0,8 parkeerplaats per 100 m² bvo. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college deze keuzes met het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. Het is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk geworden waarop het college de keuze heeft gebaseerd om het vergunde project te scharen onder de functie ‘Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’ als bedoeld in de CROW-parkeerkencijfers. Dat geldt evenzeer voor de gehanteerde parkeernorm en de keuze voor de onderkant van de bandbreedte die geldt. Op zitting heeft vergunninghouder aangegeven dat uit een onderzoek over een vergelijkbaar project in Oostzaan zou blijken dat de bedrijfsunits minder parkeerbehoefte zouden hebben dan waarvan de CROW-normen uitgaan. Dat onderzoek is echter niet in het geding gebracht. Bovendien is niet gebleken dat het college dit onderzoek aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Het college heeft de beoogde invulling van het project - meerdere aannemers in 44 afzonderlijke bedrijfsunits - en de gevolgen voor de parkeerbehoefte op het perceel onvoldoende kenbaar betrokken bij het vaststellen van de parkeernorm. Ook overigens is onduidelijk of het college met de vergunninghouder overleg heeft gevoerd over die bandbreedte, die minimumparkeernorm en de keuze daarvoor, zoals de parkeervisie wel voorschrijft. In de memo en de andere gedingstukken staat hierover geen informatie. Op zitting heeft eiser verder toegelicht te vrezen voor de hogere parkeerdruk op (en rond) het perceel tijdens piekmomenten in de ochtend en middag. De rechtbank acht het op voorhand niet onaannemelijk dat dergelijke piekmomenten kunnen ontstaan gelet op het beoogde gebruik. Het college heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt in hoeverre met die piekmomenten rekening is gehouden bij het vaststellen van de parkeernorm voor dit concrete bouwplan. De rechtbank concludeert dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom in het onderhavige geval is gekozen voor een parkeernorm van 0,8 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Het college heeft daarmee onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom dit bouwplan voorziet in voldoende parkeerplaatsen en waarom dit bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan “Parapluplan parkeernormen gemeente Emmen”. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het motiveringsgebrek te herstellen. Om het gebrek te herstellen moet het college nader overleg voeren met de vergunninghouder over de parkeernorm voor dit bouwplan en daarna nader motiveren welke parkeernorm in dit geval geldt. Het college moet inzichtelijk maken en kenbaar motiveren waarom met het beoogde gebruik van de 44 bedrijfsunits kan worden volstaan met het aantal parkeerplaatsen waarin het project voorziet. Het college moet daarbij kenbaar de thans geldende kencijfers van het CROW betrekken.

Betrokken advocaten

mr. P. Smits

eiser

ING Groep, AMSTERDAM

mr. K. Croezen

eiser

yspeert advocaten, GRONINGEN

mr. C. Post

eiser

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

2 juli 2024

Zaaknummer

LEE 23/1215 (Tussenuitspraak)

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBNNE:2024:2520

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBNNE:2026:954
Rechtbank Noord-Nederland·25 maart 2026
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
RBNNE:2026:969
Rechtbank Noord-Nederland·18 maart 2026
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
RBNNE:2026:778
Rechtbank Noord-Nederland·12 maart 2026
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
RBNNE:2026:766
Rechtbank Noord-Nederland·11 maart 2026
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
RBNNE:2026:688
Rechtbank Noord-Nederland·27 februari 2026
Bestuursrecht; Omgevingsrecht