Juristi.nl
ECLI:NL:RBNNE:2025:3256Bestuursrecht

ECLI:NL:RBNNE:2025:3256, Rechtbank Noord-Nederland, 01-08-2025, LEE 24/2640 — RBNNE:2025:3256

Samenvatting

Hoogte schadevergoeding voor waardedaling van eisers woning Eiser is het niet eens met de hoogte van de toegekende schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel dat het Instituut Mijnbouwschade Groningen bij het bepalen van de waardedaling van eisers woning als gevolg van mijnbouw terecht is uitgegaan van de WOZ-waarde van de woning op de datum van 1 januari 2019. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dat de regeling voor de begroting van waardedaling van woningen zoals die is neergelegd in de ‘Procedure en werkwijze IMG’, aanvaardbaar is. De ABRvS acht de keuze voor een abstracte wijze van schadebegroting aan de hand van het model van Atlas, toelaatbaar. Het gaat namelijk om veelvoorkomende schade met een structureel karakter en grote aantallen vergelijkbare schadegevallen. Deze vergen een snelle afwikkeling volgens uniforme maatstaven. Dit is in het belang van diegenen die met waardedaling als gevolg van mijnbouw zijn geconfronteerd. Het model van Atlas leidt voor de afwikkeling van grote aantallen zaken van eigenaren in het risicogebied als geheel tot redelijke en aanvaardbare uitkomsten. In individuele gevallen bestaat ruimte om onevenredige uitkomsten van het model van Atlas te corrigeren met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Partijen zijn het erover eens dat eisers moeder eigenaar van de woning was op het moment dat de vordering voor vergoeding van waardedaling van de woning door mijnbouw ontstond. Verder staat vast dat eisers moeder de woning na het ontstaan van die vordering niet heeft verkocht. Eiser heeft de vordering onder algemene titel verkregen. Gelet op deze feiten en omstandigheden mocht het Instituut de waardedalingsregeling uit de werkwijze toepassen. Op het moment van eisers aanvraag was er geen daadwerkelijke verkoopwaarde van de woning bekend. Hierdoor was het redelijk en aanvaardbaar dat het Instituut een abstracte wijze van schadebegroting heeft toegepast, zoals in de werkwijze is opgenomen. Daarbij speelt mee dat eiser in de bezwaarfase heeft verzocht om wijziging van de peildatum naar 1 januari 2019, aan welk verzoek het Instituut met het bestreden besluit op bezwaar gehoor heeft gegeven. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het Instituut op grond van de taxatie en de daarin opgenomen gegevens met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van de werkwijze had behoren af te wijken en de uitkomsten van het model van Atlas had moeten corrigeren. Daarbij is van belang dat de taxatie dateert van ruim anderhalf jaar na de peildatum van 1 januari 2019. In de taxatie is als waardepeildatum 28 augustus 2020 gebruikt. Er is daarmee sprake van een behoorlijk tijdsverloop tussen de gebruikte peildatum in de taxatie en de peildatum van 1 januari 2019. Ook is van belang dat in de taxatie duidelijk staat dat het doel van de taxatie is het vaststellen van de marktwaarde van de woning ten behoeve van het verkrijgen van (hypothecaire) financiering. Anders dan eiser stelt, geeft de taxatie mede daarom geen reële weergave van de verkoopprijs van de woning op de peildatum van 1 januari 2019. Dat eiser de vordering onder algemene titel heeft verkregen, leidt niet tot een ander oordeel. Door die verkrijging is er niet (alsnog) een daadwerkelijke verkoopwaarde voor de woning ontstaan en vastgesteld. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel is geen sprake. Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat het Instituut rekening had moeten houden met waardevermeerdering van de woning. Uit jurisprudentie van de ABRvS volgt dat iedere burger die eigenaar is van een woning in het aardbevingsrisicogebied en te maken heeft gekregen met fysieke schade als gevolg van de aardbevingen, voor de keuze staat om de los van de aardbevingen staande verbouwings-, opknap- en renovatiewerkzaamheden aan een woning al dan niet uit te voeren. Ook eiser en zijn moeder stonden voor zo’n keuze gelet op haar behoeften op grond van de Wet langdurige zorg. De stelling dat die keuze is beïnvloed door (ontwikkelingen in) de versterkingsoperatie, onderscheidt de onderhavige situatie niet van situaties waarin andere woningeigenaren in het aardbevingsrisicogebied destijds verkeerden. Daarbij komt dat de gestelde waardedaling door het niet afronden van aanpassingswerkzaamheden geen gevolg is van de ligging van de woning in het waardedalingsgebied. Niet afgeronde werkzaamheden hebben immers een zelfstandige invloed op de waarde van de woning. Dit staat los van waardedaling wegens ligging in het risicogebied. Daarbij is niet aannemelijk gemaakt dat het door de ligging in het risicogebied onmogelijk was de werkzaamheden af te ronden. De waardedaling veroorzaakt door het staken van de werkzaamheden is daarom geen direct gevolg van de aardbevingen. De door eiser genoemde omstandigheden vormen daarom geen bijzondere omstandigheid die in dit geval tot afwijking van de werkwijze had moeten leiden. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is geen sprake. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat het Instituut in dit geval heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Eiser heeft niet onderbouwd en niet aannemelijk gemaakt dat het Instituut een toezegging of andere uitlating of gedraging heeft gedaan waaruit eiser redelijkerwijs mocht afleiden dat het Instituut met de gestelde waardevermeerdering bij de waardedalingsvaststelling rekening zou houden. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Betrokken advocaten

mr. D. van Hijkoop

eiser

Stellicher Advocaten, ARNHEM

mr. C.L. Kuipers

eiser

mr. A.M. Wenniger

eiser

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

1 augustus 2025

Rechtsgebied

Bestuursrecht

Zaaknummer

LEE 24/2640

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBNNE:2025:3256

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Rechter wijst schorsing dwangsominvordering boerenwinkel af
Rechtbank Noord-Nederland·31 mrt 2026
Bestuursrecht
RBNNE:2026:1051
Rechtbank Noord-Nederland·30 mrt 2026
Bestuursrecht
RBNNE:2026:1003
Rechtbank Noord-Nederland·27 mrt 2026
Bestuursrecht