ECLI:NL:RBNNE:2025:3357, Rechtbank Noord-Nederland, 15-08-2025, LEE 23/708 en LEE 23/892 — RBNNE:2025:3357
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een verzoek om handhavend op te treden tegen geluid afkomstig van het Windpark N33 in Meeden. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het handhavingsverzoek van eisers niet goed is behandeld, omdat onvoldoende is onderzocht en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd of er sprake is van een overtreding. De rechtbank is van oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de zorgplicht in artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) in dit geval niet van toepassing is. Partijen zijn het erover eens dat de windpark een inrichting type C is als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van het Activiteitenbesluit. Ook zijn partijen het erover eens dat de bepalingen in paragrafen 3.2.2 en 3.2.3. van het Activiteitenbesluit, over het in werking hebben van een windturbine of combinatie van windturbines (de windturbinebepalingen), in dit geval buiten toepassing moeten blijven. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit geoordeeld dat die bepalingen in strijd zijn met het Unierecht. De rechtbank stelt vast dat de rechtspraak geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat een deel van de windturbinebepalingen toch op het onderhavige geval van toepassing zou kunnen zijn. Voorts zijn partijen het erover eens dat vanaf 1 juli 2022 in paragraaf 3.2.3a van het Activiteitenbesluit de Tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken is opgenomen met voorschriften voor geluid en externe veiligheid. De rechtbank overweegt, anders dan het college, dat paragraaf 3.2.3a in het onderhavige geval wel van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank is aan de voorwaarden van artikel 3.15b, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit voldaan. De rechtbank stelt vast dat vóór 30 juni 2021 – te weten op 28 februari 2017 – twee omgevingsvergunningen zijn verleend voor het oprichten en in werking hebben van het windpark. Vaststaat voorts dat die omgevingsvergunningen daarna niet zijn gewijzigd. Verder acht de rechtbank van belang dat op 30 juni 2021 met het inpassingsplan van 16 februari 2017 in het windpark was voorzien. In zoverre wordt aan artikel 3.15b, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is, anders dan het college stelt, ook aan de voorwaarde uit artikel 3.15b, eerste lid, onder b, van het Activiteitenbesluit, voldaan. De partiële herziening van het inpassingsplan op 21 maart 2022 is naar het oordeel van de rechtbank géén wijziging in de zin van artikel 3.15b, eerste lid, onder b, van het Activiteitenbesluit. De rechtbank overweegt daartoe dat de wijziging slechts ziet op een relatief gering onderdeel van de gehele regeling van het windmolenpark, namelijk op de obstakelverlichting. Nu deze wijziging op geen enkele manier in verband kan worden gebracht met de bepalingen van paragraaf 3.2.3a en daarmee ook op geen enkele manier afbreuk kan doen aan een eventuele mer-(beoordelings-)plicht ten aanzien van hetgeen in die bepalingen wordt geregeld, ziet de rechtbank geen grond om hier te concluderen dat paragraaf 3.2.3a niet (meer) van toepassing zou zijn. De rechtbank laat daarbij zwaar wegen dat de bepalingen van paragraaf 3.2.3a in belangrijke aanknopingspunten voorzien in de bescherming van de omgeving tegen onder andere geluidsoverlast en juist daarom ook zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit, los van de vraag of dat in deze procedure zou kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het vorenstaande betekent dat het college heeft miskend dat paragraaf 3.2.3a in het onderhavige geval van toepassing is. De rechtbank overweegt dat in dit geval, gelet op artikel 2, aanhef en onder b, van het Activiteitenbesluit, ook de zorgplicht uit in artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit van toepassing is. Het college heeft dit evenmin onderkend. Het bestreden besluit op bezwaar is in strijd met artikel 3.15b, eerste lid, van het Activiteitenbesluit en daarmee in strijd met de wet genomen. De rechtbank onderzoekt in het kader van finale geschilbeslechting of er al dan niet sprake was van een overtreding. De rechtbank overweegt dat duidelijk is dat eiser en andere omwonenden van het windpark – die door eiseres worden vertegenwoordigd – al meerdere jaren geluidshinder ervaren van laagfrequent geluid (bromtonen) afkomstig van de windturbines in het windpark. Die hinder heeft vele gevolgen voor eiser en andere omwonenden. Voor eiser en andere omwonenden is het een erg lang traject geweest om meer duidelijkheid te krijgen over de aard, intensiteit en oorzaak van de bromtonen en om erkenning te krijgen van hun hinder. Met hun handhavingsverzoek hebben eisers het college verzocht om te onderzoeken of het geluid en/of die hinder een overtreding oplevert op grond waarvan het college handhavend moet optreden. De rechtbank stelt vast dat het college voorafgaand aan het primaire besluit van 2 september 2021 geen kenbaar en objectief onderzoek heeft gedaan, dan wel laten doen, naar de geluidsproductie van het windpark en de door eisers ervaren geluidhinder. Daarmee is de behandeling van het handhavingsverzoek van eisers en besluitvorming daarover niet deugdelijk en zorgvuldig verlopen. In de bezwaarfase heeft er echter wel zo’n onderzoek plaatsgevonden, door [onderzoeker], zodat dat gebrek in bezwaar is hersteld. Het onderzoek van december 2021 heeft de basis gevormd voor de volledige heroverweging in de bezwaarfase en voor het besluit op bezwaar. Tussen partijen is niet in geschil dat het onderzoeksrapport van [onderzoeker] op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dat de redenering van dat rapport begrijpelijk is en dat de getrokken conclusies daarop aansluiten. De rechtbank is van oordeel dat het college zijn conclusies op dat onderzoeksrapport heeft kunnen baseren. Gelet op de conclusies in het onderzoeksrapport van december 2021 is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake was van overtreding van geluidnormen van paragraaf 3.2.3.a van het Activiteitenbesluit. In die zin was en is er geen grondslag voor het college om tot handhaving over te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de beschikbare gegevens niet kan worden beoordeeld of de exploitanten aan hun zorgplicht in de zin van artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit hebben voldaan. De rechtbank overweegt dat uit het rapport van Arcadis van 19 januari 2024 volgt dat een deel van de bromtonen samenviel met de begrenzing van het vermogen van de turbines zonder dat de snelheid van de rotorbladen werd beperkt. Op basis van deze onderzoeksresultaten en contact van de exploitanten met de fabrikant van de windturbines bleek dat softwareaanpassingen mogelijk waren. Die aanpassingen hebben effect gehad op het door de windturbines geproduceerde geluid en dan met name de lage tonen. De (geluids)situatie voor eisers is daarmee verbeterd. De rechtbank is er echter niet op voorhand van overtuigd dat verdere aanpassingen aan de (software van) de windturbines om de bromtonen te verminderen, niet meer mogelijk zouden zijn. Voor die conclusie biedt het dossier geen aanknopingspunten. Dit temeer nu [onderzoeker] in oktober 2024 heeft vastgesteld dat er nog steeds sprake is van een intense brom, die niet significant is afgenomen in november 2023. Het is daarom aan het college om te (laten) onderzoeken of verdere aanpassingen aan de windturbines mogelijk zijn en om te beoordelen of de exploitanten al dan niet aan zijn zorgplicht in de zin van het Activiteitenbesluit hebben voldaan. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de rechtsgevolgen van de weigering om te handhaven in stand te laten. Gelet op dit onderzoeks- en motiveringsgebrek bestaat geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien, dan wel om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank zal het college daarom opdragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond, draagt het college op om een nieuw besluit op bezwaar te nemen en draagt het college en de Staat der Nederlanden op om immateriële schadevergoeding aan eisers te betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Betrokken advocaten
mr. C.Q. Herfst
eiser
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2025:5740, Raad van State, 26-11-2025, 202207124/1/R4
Raad van State · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RBNNE:2025:3355, Rechtbank Noord-Nederland, 15-08-2025, LEE 22/4478
Rechtbank Noord-Nederland · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RBNHO:2025:3449, Rechtbank Noord-Holland, 28-03-2025, HAA 25/479 en HAA 25/496
Rechtbank Noord-Holland · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2025:535, Raad van State, 12-02-2025, 202307234/1/R4
Raad van State · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
15 augustus 2025
Instantie
Rechtbank Noord-NederlandRechtsgebied
Bestuursrecht; OmgevingsrechtZaaknummer
LEE 23/708 en LEE 23/892
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2025:3357