ECLI:NL:RBNNE:2025:4917, Rechtbank Noord-Nederland, 03-12-2025, LEE 23/2811 — RBNNE:2025:4917
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het realiseren en gebruiken van zes wintergartens aan bestaande vleeskuikenstallen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet op deze wijze had mogen verlenen. De omgevingsvergunning wordt vernietigd en het college wordt opgedragen om opnieuw op de vergunningaanvraag te beslissen. De rechtbank is van oordeel dat het college het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en niet heeft voorzien van een deugdelijke motivering over (de gevolgen van) de ventilatiewijzigingen door het realiseren en gebruiken van de beoogde wintergartens. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar het in de stallen van de vergunninghouder aanwezige ventilatiesysteem en de invloed die de beoogde wintergartens op het ventilatieklimaat in en buiten de stallen hebben. Gelet op de bevindingen van de StAB stelt de rechtbank vast dat het college bij het behandelen van de aanvraag onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de invloed van de beoogde uitloop-openingen naar de wintergartens op (de werking van) het bestaande ventilatiesysteem in de stallen. Onvoldoende is onderzocht of de gewijzigde ventilatiecapaciteit nog voldoende was om de onderdruk in de stallen te behouden. Ook lag het op de weg van het college om resultaten uit dat ventilatieonderzoek te betrekken bij de afwegingen van het college of de vergunninghouder kon worden gevolgd in het standpunt dat het ventilatiesysteem in de nieuwe situatie met wintergartens ook voldoet aan de landelijke normen. In zoverre kleeft aan het bestreden besluit ook een motiveringsgebrek. De rechtbank stelt vervolgens vast dat de StAB tijdens haar onderzoek nadere informatie over de ventilatiecapaciteit heeft ontvangen van de vergunninghouder. Op basis van de nadere informatie van de vergunninghouder heeft de StAB de maximale benodigde ventilatiecapaciteit en de aanwezige ventilatiecapaciteit berekend. De StAB heeft geconstateerd dat de bestaande ventilatiecapaciteit ruim voldoende is om het gewenste debiet en de benodigde ventilatie te leveren. Door het verminderen van de dierenaantallen bij het ‘Beter Leven keurmerk 1 ster’ wordt deze marge vergroot. De StAB heeft geconcludeerd dat de aanwezigheid van enige onderdruk voldoende is om “geurlekken” te voorkomen. De rechtbank stelt vast dat het college in beroep geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om te reageren op de bevindingen, constateringen en conclusies van de StAB naar aanleiding van de nadere informatie van de vergunninghouder. Dat terwijl het op de weg van het college lag om iets van die nieuwe informatie en inzichten te vinden, in relatie tot (de standpunten verwoord in) het bestreden besluit. Nu een reactie van het college ontbreekt, is onduidelijk wat het college van de nieuwe informatie en inzichten vindt en wat de mogelijke gevolgen daarvan zijn voor de omgevingsvergunning. De onderzoeks- en motiveringsgebreken zijn daarmee niet hersteld. De rechtbank is verder van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderzocht en onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in dit geval geen geurbeheerplan van de vergunninghouder wordt verlangd. Gelet op de bevindingen van de StAB overweegt de rechtbank dat het college in dit geval onvoldoende acht heeft geslagen op de geursituatie ter plaatse van de woning van eisers en de mogelijke gevolgen van de realisatie van de wintergartens voor die situatie. Hoewel in dit geval voorafgaand aan de vergunningverlening werd voldaan aan de geldende geurnormen en eisers in beroep een onjuist geuremissiepunt hebben gebruikt bij hun berekeningen, heeft het college miskend dat in dit geval niettemin sprake is van geurhinder bij gevoelig receptoren. Op grond van die hinder had het college moeten overwegen of een geurbeheersplan zou moeten worden voorgeschreven bij de aangevraagde wijziging van de geursituatie binnen het bedrijf van de vergunninghouder. De in het RUD-rapport van 25 mei 2021 beschreven geursituatie en de aangevraagde wijziging van de bedrijfsvoering van de vergunninghouder hadden voldoende aanleiding voor het college moeten zijn om een dergelijke afweging te maken. Daar komt bij dat het college niet kenbaar heeft gemotiveerd waarom het onderhavige geval verschilt van de geursituatie van het bedrijf op het perceel [perceel 2], van welk bedrijf het college thans wel een geurbeheersplan verlangt. Onduidelijk is waarom het college dit onderscheid tussen deze bedrijven maakt. Dit temeer omdat het college niet heeft gereageerd op de bevindingen uit het StAB-onderzoek. Daarnaast weegt voor de rechtbank mee dat de StAB aannemelijk heeft geacht dat de geur van beide bedrijven bij de woning van eisers cumuleert. Onduidelijk is wat het college van die aanname vindt. Ook is onduidelijk hoe het college geurcumulatie heeft betrokken bij de afweging om geen geurbeheersplan aan de vergunninghouder voor te schrijven. Verder is onduidelijk in hoeverre in die cumulatie alsnog aanleiding bestaat voor een dergelijk voorschrift. De rechtbank ziet voldoende aanwijzingen dat het college geurcumulatie bij de woning van eisers alsnog kenbaar moet betrekken in nadere besluitvorming, zo mogelijk op basis van aanvullend geuronderzoek naar die cumulatie. Het beroep is gegrond omdat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan en onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd welke invloed de beoogde uitloop-openingen naar de wintergartens hebben op (de werking van) het bestaande ventilatiesysteem in de stallen. Ook heeft het college onvoldoende onderzoek gedaan en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd welke gevolgen de realisatie van de wintergartens heeft op de geurbelasting op de woning van eisers. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Aangezien nader onderzoek en standpuntbepaling door het college moet plaatsvinden, ziet de rechtbank geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag van 17 februari 2022 te nemen. Deze vernietiging betekent dat de vergunninghouder geen omgevingsvergunning meer heeft voor het realiseren en gebruiken van de zes wintergartens op het perceel.
Betrokken advocaten
mr. T. de Beet
eiser
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBNHO:2025:8700, Rechtbank Noord-Holland, 29-07-2025, HAA 22/4622 en HAA 22/4624
Rechtbank Noord-Holland · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBZWB:2025:4560, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14-07-2025, AWB 24_1694
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ECLI:NL:RVS:2025:1553, Raad van State, 09-04-2025, 202406199/2/R1
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:2659, Rechtbank Den Haag, 21-02-2025, 25-675
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
3 december 2025
Instantie
Rechtbank Noord-NederlandRechtsgebied
Bestuursrecht; OmgevingsrechtZaaknummer
LEE 23/2811
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2025:4917