ECLI:NL:RBNNE:2025:5214, Rechtbank Noord-Nederland, 16-12-2025, LEE 25/4364 en LEE 25/4541 — RBNNE:2025:5214
Samenvatting
Omgevingsvergunning voor verbouwen van de Swettetsjerke in Noardburgum tot elf appartementen. Tussen partijen staat vast dat het bestemmingsplan wonen in de kerk toestaat. Ook staat vast dat het bouwplan in strijd is met de regels van het bestemmingsplan (de planregels) omdat het bouwplan voorziet in het realiseren van elf appartementen in de kerk terwijl het aantal woningen per bouwvlak binnen de bestemming ‘Wonen – Vrijstaande woningen 1’ ten hoogste één woning mag bedragen. In dit geval heeft het college besloten om af te wijken van die planregel door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wet algemenen bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang gelezen met artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat met dit bouwplan het bouwvolume van de kerk niet wordt vergroot. De al bestaande woonbestemming brengt met zich dat de kerk mag worden bewoond en dat verdiepingsvloeren in de kerk mogen worden aangebracht. Verder zijn de airco-units, warmtepompen en brandtrap, gezien de omvang daarvan, aan te merken als een naar de aard met een schoorsteen of antenne gelijk te stellen bouwdelen. Het college heeft die bouwdelen daarom kunnen aanmerken als ondergeschikte bouwdelen als bedoeld in het bestemmingsplan. Dit betekent dat die bouwdelen bij het bepalen van het bouwvolume van de kerk niet hoeven te worden meegenomen. Het college heeft gelet daarop met toepassing van artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II bij het Bor een omgevingsvergunning voor het gebruik in afwijking van het bestemmingsplan kunnen verlenen. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat zowel de verdiepingsvloeren als ramen in het voordakvlak, in het achterdakvlak en in de zijdakvlakken in de aanvraag zijn inbegrepen. Uit de aanvraag en uit het bestreden besluit valt niet op te maken dat er van uit is gegaan dat bepaalde onderdelen vergunningvrij zijn. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet dit bij de aanvraag kenbaar zijn gemaakt. Voorzover het college zich op het standpunt stelt dat de verdiepingsvloeren vergunningvrij zijn, stelt de voorzieningenrechter vast dat in dat geval vereist is dat geen sprake is van een verandering van de brandcompartimentering of beschermde subbrandcompartimentering. Niet duidelijk is of het college daarmee rekening heeft gehouden. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat uit het bestreden besluit en de gedingstukken onvoldoende volgt hoe het bouwplan is getoetst aan redelijke eisen van welstand. Onduidelijk is welke onderdelen van het bouwplan aan die eisen zijn getoetst, wie die toets heeft verricht en wanneer die toets heeft plaatsgevonden. Het bestreden besluit is gelet op het voorgaande onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet voorzien van een deugdelijke motivering. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er in dit geval geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering om de parkeerplaatsen die in het bouwplan zijn voorzien, te realiseren. Van belang is dat partijen van mening verschillen over de omvang en uitleg van de huurovereenkomst die verzoekster [verzoekster] heeft gesloten met de vorige eigenaren van de kerk. Niet evident is welke gronden verzoekster [verzoekster] precies huurt en op welke gronden zij haar rechten als huurder mag uitoefenen. Ook verschillen partijen van mening over de vraag wat die huurovereenkomst betekent voor de burenrelatie tussen verzoekster [verzoekster], de vergunninghouder en de (toekomstige) bewoners van de kerk. Zonder nader onderzoek is daarmee niet duidelijk wat de huurovereenkomst in dit geval betekent. Partijen kunnen dat voorleggen aan de burgerlijke rechter. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college onvoldoende zorgvuldig onderzocht en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De voorzieningenrechter volgt verzoekers in hun betoog dat het college in de belangenafweging onvoldoende aandacht heeft gehad voor (de gevolgen van het bouwplan voor) hun privacy. In het bestreden besluit is het college niet ingegaan op de gevolgen van de extra dakramen en de wintertuin voor de privacy van verzoekers. Het bestreden besluit is op dit punt dus onvoldoende gemotiveerd. Vaststaat dat met de bestaande woonbestemming van de kerk al enige inkijk vanuit de kerk op de percelen van verzoekers is toegestaan. Met de verleende omgevingsvergunning is echter wonen op de verdiepingen mogelijk gemaakt. In het verweerschrift heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de verdiepingsvloeren en een deel van de dakramen vergunningvrij kunnen worden gerealiseerd. Zoals de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen, is dit voor wat betreft de verdiepingsvloeren naar zijn voorlopig oordeel niet juist en blijkt bovendien niet uit de verleende omgevingsvergunning dat deze niet voor de verdiepingsvloeren en voor bepaalde dakramen is verleend. Op de zitting is vastgesteld dat de mogelijkheden tot inkijk op de percelen van verzoekers met dit bouwplan worden vergroot door ramen in twee appartementen op de eerste verdieping van de kerk, door de ramen in de wintertuin op de tweede verdieping van de kerk en door de ramen in één appartement op de tweede verdieping van de kerk. In het bestreden besluit heeft het college daarover geen expliciete afweging gemaakt. Dat besluit is daarom onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Het college erkent dat in het bestreden besluit een onjuiste beoordeling van het wegverkeerslawaai heeft plaatsgevonden. Het bouwplan had niet moeten worden getoetst aan de Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De vergunninghouder heeft een herziene memo van De Geluidpraktijk van 14 november 2025 (de memo) ingediend. De voorzieningenrechter stelt vast dat in de memo geen aandacht is besteed aan het door het bouwplan te verwachten lawaai door verkeer op het landweggetje naast de woning van verzoekers [verzoekers 1 en 2]. Hierdoor vormt de memo onvoldoende grondslag voor de volledige akoestische heroverweging die het college in de bezwaarfase moet maken. Ook in de akoestische beschouwing van De Geluidpraktijk van 29 januari 2025 – die als bijlage bij het bestreden besluit is gevoegd – wordt niet ingegaan op dit verkeerslawaai. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat de gedingstukken geen informatie bevatten over welk type warmtepompen in het bouwplan worden geplaatst en welke geluidsgevolgen het gebruik van die pompen zal hebben voor de omliggende woningen. Alhoewel verzoekers [verzoekers 1 en 2] zich ten onrechte beroepen op de geluidsnorm uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en uit het omgevingsplan die gelet op het overgangsrecht in dit geval niet van toepassing zijn, had het college deze geluidsnormen moeten betrekken bij de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De stelling ter zitting van de vergunninghouder en van de gemachtigden van het college dat die informatie en gevolgen inzichtelijk zijn gemaakt met een nieuw onderzoeksrapport, is niet onderbouwd. Voor zover dit rapport aanwezig is, bevindt het zich niet bij de stukken. Daardoor is op dit moment onduidelijk wat de geluidsgevolgen van het toegenomen wegverkeer en de warmtepompen zullen zijn, en of met die gevolgen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Tenslotte is in het bestreden besluit vermeld dat de parkeerbehoefte als gevolg van het plan 12 parkeerplaatsen is en dat deze worden gerealiseerd. In het verweerschrift erkent het college dat in het parkeeronderzoek dat aan dat besluit ten grondslag ligt, ten onrechte niet is uitgegaan van de meest recente CROW-norm. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat dat gebrek in de bezwaarfase zal worden hersteld en dat de parkeerbehoefte als gevolg van dit bouwplan 14 parkeerplaatsen bedraagt. De voorzieningenrechter constateert dat zich bij de stukken een (summiere) berekening en een situatietekening met 14 parkeerplaatsen bevindt. Verzoekers hebben deze berekening betwist en gesteld dat van een andere categorie woningen uitgegaan moet worden. Volgens hen ligt de parkeerbehoefte hoger. Het college heeft daar in het verweerschrift niet op gereageerd. Gelet daarop is niet duidelijk of en op welke wijze wordt voorzien in de parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan. Het bestreden besluit is daarom op dit punt onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. De voorzieningenrechter overweegt daarnaast dat het college erkent dat in het bestreden besluit onvoldoende aandacht is besteed aan de gevolgen van de gebruiksfase van het bouwplan voor de mogelijke stikstofdepositie op Natura-2000-gebieden. In de onderhavige procedure heeft het college daarover geen aanvullende AERIUS-berekening en afweging ingediend. Gelet daarop is onvoldoende gemotiveerd dat uitgesloten is dat het bouwplan significante gevolgen heeft voor een Natura-2000-gebied. Uit bovenstaande overwegingen blijkt dat de bestreden omgevingsvergunning in zijn huidige vorm geen stand zal kunnen houden in bezwaar. Er is aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter weegt de belangen van partijen. Gelet op de aard van de gebreken aan het bestreden besluit, de hoeveelheid gebreken en de aard van de belangen van verzoekers is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoekers bij schorsing van het bestreden besluit zwaarder wegen dan de belangen van de vergunninghouder bij het niet schorsen van dat besluit. De vergunninghouder heeft op de zitting aangegeven dat één van de elf appartementen was afgebouwd, verhuurd en bewoond. Dat appartement bevindt zich op de begane grond van de kerk. Drie andere appartementen op de begane grond van de kerk worden deze maand afgebouwd en vanaf 1 januari 2026 verhuurd en bewoond. De overige zeven appartementen worden in 2026 afgebouwd en verhuurd. Het is de voorzieningenrechter duidelijk dat de vergunninghouder groot belang heeft bij het mogen afbouwen en (blijven) verhuren van de vier appartementen op de begane grond die (bijna) klaar zijn. Onvoldoende duidelijk is echter of de omgevingsvergunning voor deze bouw- en gebruiksactiviteiten in bezwaar stand kan houden. De voorzieningenrechter stelt daarbij ook vast dat de hoorzitting in bezwaar al in november 2025 is gehouden en dat het dus mogelijk moet zijn om op korte termijn een besluit op de bezwaren van verzoekers te nemen. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat het college de termijn voor het nemen van een besluit op bezwaar al (ruim) heeft overschreden. De voorzieningenrechter schorst de omgevingsvergunning. Die schorsing zal gelden tot zes weken nadat het college een besluit op de bezwaren van verzoekers heeft genomen.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBNNE:2026:94, Rechtbank Noord-Nederland, 19-01-2026, C/18/251143 / KG ZA 25-217
Rechtbank Noord-Nederland · Civiel Recht
ECLI:NL:RBNNE:2025:5582, Rechtbank Noord-Nederland, 29-12-2025, LEE 25/5246
Rechtbank Noord-Nederland · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:9655, Rechtbank Amsterdam, 25-11-2025, C/13/762267 / FA RK 25-72
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBOVE:2025:6651, Rechtbank Overijssel, 17-11-2025, AK_25_2836
Rechtbank Overijssel · Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
16 december 2025
Instantie
Rechtbank Noord-NederlandRechtsgebied
Bestuursrecht; OmgevingsrechtZaaknummer
LEE 25/4364 en LEE 25/4541
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2025:5214