Drentse man krijgt 42 maanden cel voor brandstichting in instelling — RBNNE:2026:993
brandstichting / vernieling / tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Eiser / verzoeker
Openbaar Ministerie
Verweerder / gedaagde
Verdachte
Verdachte veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest voor brandstichting en vernieling.
- Verdachte bekende opzettelijk brand te hebben gesticht in zijn slaapverblijf bij een instelling in Emmen, waarbij gemeen gevaar voor goederen én levensgevaar voor circa 38 aanwezigen ontstond.
- Verdachte weigerde mee te werken aan Pro Justitia onderzoek, waardoor verminderde toerekeningsvatbaarheid niet kon worden vastgesteld en de feiten volledig aan hem worden toegerekend.
- De reclassering adviseerde geen bijzondere voorwaarden of toezicht wegens gebrek aan responsiviteit voor hulpverlening.
- De rechtbank legde 42 maanden gevangenisstraf op, conform de eis van de officier van justitie.
- De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijke veroordeling werd toegewezen.
Samenvatting
Een man uit Emmen stak op 8 maart 2025 opzettelijk brand in zijn slaapverblijf bij een instelling aan de rand van die stad. Hij hield een aansteker bij zijn kledingstukken en veroorzaakte zo een grote brand met hevige rookontwikkeling. Een groot deel van zijn appartement brandde af. Op dat moment bevonden zich ongeveer 35 bewoners en drie begeleiders in het pand.
De rechtbank Noord-Nederland oordeelde dat de man niet alleen gevaar voor goederen had veroorzaakt, maar ook levensgevaar voor de mensen in de aangrenzende verblijven. Het is immers algemeen bekend dat brand zich razendsnel kan verspreiden en een onbeheersbaar karakter kan aannemen. Twee dagen na de brand, op 10 maart 2025, vernielde hij vanuit zijn politiecel in Assen ook nog eens een cel, een gang, een toilet, een camera en een kijkgat, en maakte hij lakens en beddengoed onbruikbaar — eigendommen van de Politie Noord-Nederland.
Verdachte bekende beide feiten. Zijn advocaat liet de strafmaat over aan het oordeel van de rechtbank. De officier van justitie eiste 42 maanden gevangenisstraf, waarbij de feiten volledig aan de verdachte worden toegerekend.
Bij het bepalen van de straf speelde de houding van de man zelf een grote rol. Hij weigerde mee te werken aan zowel psychologisch als psychiatrisch onderzoek voor de zogeheten Pro Justitia rapportages. Daardoor konden de deskundigen niet vaststellen of hij verminderd toerekeningsvatbaar was. De rechtbank rekende hem de feiten dan ook volledig toe. Bovendien gaf hij aan geen hulpverlening te willen en na zijn straf Nederland te willen verlaten. De reclassering adviseerde geen bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat hij eerder ook al niet responsief was gebleken voor begeleiding.
De rechtbank legde uiteindelijk de door de officier gevorderde straf op: 42 maanden gevangenisstraf, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast wees de rechter de schadevergoedingsvordering van de Politie Noord-Nederland voor de vernielde cel en inventaris — een bedrag van 341,04 euro — toe. Ook besliste de rechtbank over de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, die eveneens ten uitvoer wordt gelegd.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBNNE:2026:185, Rechtbank Noord-Nederland, 27-01-2026, 18.122483.24
Rechtbank Noord-Nederland · Strafrecht; Materieel Strafrecht
ECLI:NL:RBNNE:2026:21, Rechtbank Noord-Nederland, 08-01-2026, 18.285304.23
Rechtbank Noord-Nederland · Strafrecht; Materieel Strafrecht
ECLI:NL:RBNNE:2025:5493, Rechtbank Noord-Nederland, 23-12-2025, 18/370775-24
Rechtbank Noord-Nederland · Strafrecht; Materieel Strafrecht
ECLI:NL:RBNNE:2025:5159, Rechtbank Noord-Nederland, 16-12-2025, 18.269646.23
Rechtbank Noord-Nederland · Strafrecht; Materieel Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank Noord-NederlandRechtsgebied
Strafrecht; Materieel StrafrechtZaaknummer
18/073146-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:993