ECLI:NL:RBOBR:2014:7021, Rechtbank Oost-Brabant, 12-11-2014, C/01/275266 / HA ZA 14-148 — RBOBR:2014:7021
Samenvatting
Erflater heeft bij leven het beheer gevoerd over het vermogen van (de in Zuid-Afrika wonende) eiser. Gedaagde sub 1 is de weduwe van erflater. Zij heeft (evenals haar dochter) de nalatenschap van erflater zuiver aanvaard en gedaagde sub 1 is aansprakelijk voor de schulden van de nalatenschap (art. 4:14 lid 1 BW). Gedaagde sub 2 is een vennootschap van erflater. Eiser stelt dat erflater bij leven tussen 2003 en 2012 circa € 343.000,-- zonder enige rechtsgrond aan zijn bankrekeningen heeft onttrokken. Op grond van artikel 7:403 lid 2 BW dient de opdrachtnemer (erflater) aan de opdrachtgever (eiser) verantwoording te doen van de wijze waarop hij zich van zijn opdracht heeft gekweten en rekening te doen van de uitgegeven en ontvangen gelden. Gesteld noch gebleken is dat erflater op enig moment (tussentijds) rekening en verantwoording heeft afgelegd over het door hem gevoerde beheer over het vermogen van eiser. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv geldt dat de stelplicht en bewijslast ter zake van deze rekening en verantwoording rusten op erflater – en na diens overlijden – op zijn erven. De omstandigheid dat de erven vanwege het plotselinge overlijden van erflater ter zake van deze rekening en verantwoording in bewijsnood verkeren vormt op zichzelf geen reden om af te wijken van deze hoofdregel van bewijslastverdeling (vgl. HR 31 oktober 1997, NJ 1998, 85). Nu erflater bij leven van het door hem gevoerde beheer over het vermogen van eiser geen administratie heeft bijgehouden, dienen de gevolgen hiervan in beginsel voor rekening van de erven te komen als rechtsopvolgers onder algemene titel van erflater. De rechtbank is van oordeel dat de erven – in het licht van de vaststaande onttrekkingen door erflater aan het vermogen van eiser – onvoldoende hebben gesteld in het kader van de op hen rustende plicht tot het afleggen van rekening en verantwoording. Voor zover de betalingen zijn gedaan aan de vennootschap van erflater, geldt dat deze op grond van onverschuldigde betaling terug betaald dienen te worden aan eiser. Niet gebleken is immers van enige rechtsgrond die deze betalingen aan de vennootschap ten laste van eiser kan rechtvaardigen. De vorderingen worden grotendeels toegewezen.
Betrokken advocaten
mr. J.U. van der Werff te Deventer
eiser
mr. G. van Amstel te Huizen
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBMNE:2019:1088, Rechtbank Midden-Nederland, 20-03-2019, 443433 HA ZA 17-619
Rechtbank Midden-Nederland · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBMNE:2019:563, Rechtbank Midden-Nederland, 13-02-2019, 446894 HA ZA 17-744
Rechtbank Midden-Nederland · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBMNE:2019:271, Rechtbank Midden-Nederland, 29-01-2019, C/16/450006 / FA RK 17-6344
Rechtbank Midden-Nederland · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBMNE:2018:6263, Rechtbank Midden-Nederland, 17-12-2018, NL18.3268
Rechtbank Midden-Nederland · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
Gegevens
Datum uitspraak
12 november 2014
Instantie
Rechtbank Oost-BrabantRechtsgebied
Civiel RechtZaaknummer
C/01/275266 / HA ZA 14-148
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2014:7021