ECLI:NL:RBOBR:2025:2565, Rechtbank Oost-Brabant, 02-05-2025, 23/1096 — RBOBR:2025:2565
Samenvatting
terugkomen van de raad van zijn voornemen een aan derde-partij verleende toevoeging voor rechtsbijstand met terugwerkende kracht in te trekken – resultaatbeoordeling – artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand - De raad hanteert bij de beoordeling van het resultaat kennelijk als vaste praktijk de materiële norm dat, indien de leefsituatie van de rechtzoekende van alleenstaande ten tijde van de verlening van de toevoeging is gewijzigd naar die van een duurzaam gezamenlijke huishouding voerend met een partner ten tijde van de definitieve afhandeling van de zaak, het dubbele drempelbedrag en bijgevolg een dubbele resultaatsgrens wordt aangehouden – De rechtbank kan deze vaste uitvoeringspraktijk van de raad niet volgen. Daarbij stelt zij voorop dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb volgt dat de wetgever met die bepaling heeft beoogd om recht te doen aan het uitgangspunt dat de rechtzoekende de kosten van de zaak zelf draagt als hij daartoe in staat is. Door aan sluiten bij het drempelbedrag heeft de wetgever gekozen voor een, naar eigen zeggen, hoge resultaatsnorm/-grens. Bij een gewijzigde leefsituatie als hier aan de orde verdubbelt de raad in de praktijk die resultaatgrens nog eens. Door dat te doen wordt de uitkomst van de resultaatbeoordeling juist minder beïnvloed door de hoogte van de vordering (als resultaat van de zaak) en de draagkracht van de rechtzoekende als gevolg daarvan. De rechtzoekende zal dan niet met een intrekking van de toevoeging worden geconfronteerd, terwijl voor een dergelijke voordeligere positie geen inhoudelijke rechtvaardiging bestaat. Daarbij wijst de rechtbank erop dat als op het moment van de definitieve afhandeling van de zaak de leefsituatie van de rechtzoekende ongewijzigd alleenstaande zou zijn gebleven, hij met dezelfde vordering boven de – enkele – resultaatsgrens zou zijn uitgekomen en hij uit dien hoofde in beginsel wél geconfronteerd zou worden met een intrekking van de toevoeging met terugwerkende kracht. Dergelijke verschillen in uitkomsten acht de rechtbank ongerijmd en dus onwenselijk. Gelet op het voorgaande heeft de raad met zijn hiervoor geschetste uitvoeringspraktijk een onjuiste uitleg gegeven aan artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb. De raad had in dit geval ervan moeten uitgaan dat de vordering van derde-partij boven de resultaatgrens ligt en dat alleen zwaarwegende omstandigheden zich verzetten tegen de intrekking van de toevoeging met terugwerkende kracht.
Betrokken advocaten
mr. P.J.S. de Koning
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:6705, Rechtbank Den Haag, 25-03-2026, 25/22939
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:6718, Rechtbank Den Haag, 25-03-2026, 25/22800
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:6699, Rechtbank Den Haag, 25-03-2026, 25/22805
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBOBR:2025:5540, Rechtbank Oost-Brabant, 04-09-2025, 25/1882 en 25/1883
Rechtbank Oost-Brabant · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Gegevens
Datum uitspraak
2 mei 2025
Instantie
Rechtbank Oost-BrabantRechtsgebied
Bestuursrecht; BestuursprocesrechtZaaknummer
23/1096
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2025:2565