Juristi.nl
ECLI:NL:RBOBR:2026:1353Strafrecht

ECLI:NL:RBOBR:2026:1353, Rechtbank Oost-Brabant, 06-03-2026, 01.273235.24 — RBOBR:2026:1353

Samenvatting

Vrijspraak van (medeplegen van) doodslag en medeplichtigheid aan doodslag. De rechtbank stelt vast dat verdachte en medeverdachte het plan hebben opgevat 11 kilo wiet af te nemen van het latere slachtoffer en deze te betalen met nepgeld. Tijdens een ontmoeting met het slachtoffer is door één van de verdachten geschoten met een wapen richting het slachtoffer, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. De twee verdachten wijzen elkaar aan als de schutter. De rechtbank kan niet buiten redelijke twijfel vaststellen wie van de twee de schutter is geweest. De rechtbank kan verder niet vaststellen dat het gebruik van een wapen onderdeel was van het plan. Op basis van het verhandelde ter terechtzitting en het dossier kan door de rechtbank niet buiten gerede twijfel worden vastgesteld dat een afspraak is gemaakt tussen verdachte en medeverdachte over het meebrengen en/of gebruik van een wapen. De rechtbank volgt de vaststelling van de officier van justitie niet, dat verdachte en medeverdachte een confrontatie met het slachtoffer aangingen, hem overvielen met de mededeling dat zij niet gingen betalen voor de wiet die hij hen zou leveren en daarbij ook nadere druk op hem te zetten. De rechtbank wijst op het arrest van de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2020:281 en de noot van W.H. Vellinga. Daaruit volgt dat het voor medeplegen vereiste opzet van de verdachte op de doodslag niet uitsluitend kan worden aangenomen op de gronden dat bij het dwingen van personen om wiet af te staan dan wel hen daartoe oplichten van personen binnen een crimineel milieu het in de lijn der verwachting ligt dat wapens worden meegebracht en zo nodig worden ingezet en dat het niet voor de hand ligt dat het meebrengen van een wapen niet bekend is bij of bekend wordt gemaakt aan een mededader. Voorzienbaarheid van een mogelijkheid levert geen opzet op omdat daarmee nog niet vaststaat dat een verdachte die mogelijkheid heeft voorzien. Daarvoor zijn concrete aanwijzingen nodig. Ook als een verdachte de mogelijkheid van het gebruik van het wapen tegen een ander heeft voorzien, dan is daarmee opzet op de doodslag nog niet gegeven. Een verdachte moet die mogelijkheid als aanmerkelijk hebben ingeschat en als zodanig hebben aanvaard. Pas dan is er sprake van (voorwaardelijk) opzet. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte de mogelijkheid dat het slachtoffer zou worden doodgeschoten als aanmerkelijk heeft ingeschat en als zodanig heeft aanvaard. De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer. Aan het voor medeplegen vereiste dubbele opzet is niet voldaan.

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

6 maart 2026

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

01.273235.24

Procedure

Eerste aanleg - meervoudig

ECLI

ECLI:NL:RBOBR:2026:1353

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Verdachte schuldig aan drugs en witwassen in Udense woning
Rechtbank Oost-Brabant·2 april 2026
Strafrecht
Eindhovenaar beledigt en bedreigt BOA en krijgt maand cel
Rechtbank Oost-Brabant·2 april 2026
Strafrecht