Eindhoven wint rechtszaak: woonbootbewoners Afwateringskanaal moeten vertrekken — RBOBR:2026:2012
huurrecht / ligplaatsen woonboten / beëindiging huurovereenkomst door gemeente
Eiser / verzoeker
Gemeente Eindhoven
Verweerder / gedaagde
Zeven woonbootbewoners aan het Afwateringskanaal te Eindhoven
De kantonrechter verklaart de huuropzegging door de gemeente Eindhoven rechtmatig en wijst de vorderingen van de woonbootbewoners af; zij moeten hun ligplaatsen uiterlijk 1 juli 2028 ontruimen.
- Het bestemmingsplan 'II Bedrijventerrein De Hurk-Croy (reparatie)' verbiedt woonschepen ter plaatse en is na uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak onherroepelijk geworden.
- De huurovereenkomsten bevatten een bepaling dat huurders bij gemeentelijke beëindiging geen recht hebben op schadevergoeding of een alternatieve ligplaats.
- De gemeente heeft een zwaarwegend planologisch belang bij beëindiging van de huurovereenkomsten vanwege de onverenigbaarheid van woonboten met zware industrie op De Hurk.
- De bewoners kregen een gratis overgangsperiode tot 1 juli 2028 en een vergoedingsaanbod (Scenario 3+), maar kwamen niet tot overeenstemming.
- De reconventionele vorderingen van de woonbootbewoners, gericht op behoud van de ligplaatsen en hogere vergoedingen, werden afgewezen.
Samenvatting
Zeven woonbootbewoners aan het Afwateringskanaal in Eindhoven moeten hun ligplaats verlaten. De gemeente Eindhoven spande een rechtszaak aan nadat zij er niet in slaagde om minnelijk tot een oplossing te komen met de bewoners. De kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant gaf de gemeente grotendeels gelijk.
Het conflict speelt zich af op industrieterrein De Hurk, het enige terrein in Eindhoven waar zware industrie is toegestaan. De gemeente vindt dat woonboten in het Afwateringskanaal, dat door dit terrein loopt, onverenigbaar zijn met het industriegebied. Omliggende bedrijven vallen in een zware milieucategorie waarvoor normaliter een richtafstand van 300 meter tot woningen geldt. Die afstand is bij de woonboten lang niet gehaald.
Al in 2013 begon de gemeente aan bestemmingsplanprocedures om de woonboten planologisch te weren. Na een lange juridische strijd — waarbij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in 2020 de gemeente aanvankelijk terugstuurde omdat ze onvoldoende rekening had gehouden met gewijzigde wetgeving over woonboten — werd in 2021 een nieuw bestemmingsplan vastgesteld. Daarin kregen de gronden bij de woonboten de bestemming 'water', waarbij het aanleggen van woonschepen uitdrukkelijk verboden werd. In mei 2023 verklaarde de Afdeling het beroep van de bewoners hiertegen ongegrond. Het bestemmingsplan stond daarmee onherroepelijk vast.
Op 14 december 2023 zegde de gemeente de huurovereenkomsten op per 1 juli 2024. De bewoners kregen tot 1 juli 2028 de tijd om te vertrekken, en mochten hun ligplaats in de tussentijd gratis blijven gebruiken. Als financiële compensatie bood de gemeente een vergoedingsregeling aan die intern 'Scenario 3+' wordt genoemd. De bewoners wezen dit aanbod af en bestreden ook de rechtmatigheid van de huuropzegging zelf.
In de rechtszaak stelden de bewoners in reconventie een tegeneis in. Zij vochten de opzegging aan en verlangden hogere vergoedingen dan de gemeente wilde bieden. De kantonrechter volgde hen daarin niet. De huurovereenkomsten waren aangegaan voor onbepaalde tijd met een opzegtermijn van zes maanden, en bevatten bovendien een bepaling dat huurders bij beëindiging door de gemeente geen recht hebben op schadevergoeding of een alternatieve ligplaats. De gemeente had bovendien een zwaarwegend planologisch belang bij de beëindiging, terwijl zij de bewoners tegelijkertijd een ruime overgangstermijn en financiële compensatie aanbood.
De kantonrechter oordeelde dat de huuropzegging rechtmatig was en wees de vorderingen van de woonbootbewoners af. De bewoners moeten hun ligplaatsen ontruimen, waarbij de eerder aangekondigde ontruimingsdatum van 1 juli 2028 als uiterste termijn geldt. De tegeneis van de bewoners werd eveneens afgewezen.
Betrokken advocaten
mr. M.J.A. van de Laar
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBGEL:2025:7493, Rechtbank Gelderland, 05-09-2025, ARN 25/3950
Rechtbank Gelderland · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBGEL:2025:6377, Rechtbank Gelderland, 30-07-2025, 25/3301
Rechtbank Gelderland · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ECLI:NL:RBMNE:2025:2975, Rechtbank Midden-Nederland, 16-06-2025, UTR 25/3251, UTR 25/3261. UTR 2/3265 en UTR 25/3268
Rechtbank Midden-Nederland · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBNNE:2024:4948, Rechtbank Noord-Nederland, 13-12-2024, 24/2222
Rechtbank Noord-Nederland · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
2 april 2026
Instantie
Rechtbank Oost-BrabantRechtsgebied
Civiel RechtZaaknummer
11410234 11410229 11410221 11410185 11410177 11410171 11410165
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:2012