Rechter zet pensioenprocedure op dagvaardingsspoor — RBOBR:2026:2126
pensioenverevening bij scheiding / vervangende toestemming / procesrechtelijke omzetting
Eiser / verzoeker
Man en zijn pensioen-BV (directeur-grootaandeelhouder)
Verweerder / gedaagde
Ex-echtgenote
De rechtbank heeft de verzoekschriftprocedure omgezet naar een dagvaardingsprocedure en verzoekers bevolen de verwerende partij alsnog op te roepen voor de rolzitting van 6 mei 2026.
- Een vordering op grond van artikel 3:300 lid 1 BW (vervangende toestemming) moet worden ingeleid met een dagvaarding, niet een verzoekschrift.
- De rechtbank zet op grond van artikel 69 Rv de procedure ambtshalve om naar de dagvaardingsprocedure.
- Voor de ex-vrouw die in het buitenland woont geldt een minimale betekeningstermijn van vier weken.
- Belastingdienst stelde als voorwaarde voor onbelaste vrijgave van pensioen in eigen beheer dat alle gerechtigden schriftelijk instemmen.
Samenvatting
Een man en zijn voormalig echtgenote, die in het buitenland woont, zijn in een conflict beland over de afwikkeling van een pensioen in eigen beheer. Na hun echtscheiding in 2017 was in het convenant vastgelegd dat de pensioenrechten zouden worden verdeeld volgens de standaardverevening. Het pensioen was ondergebracht bij een besloten vennootschap waarvan de man directeur-grootaandeelhouder was.
De vennootschap vroeg in oktober 2024 bij de Belastingdienst toestemming voor het onbelast vrijgeven van de pensioenaanspraken, omdat deze niet meer realiseerbaar bleken. De Belastingdienst stemde in april 2025 in, maar stelde als voorwaarde dat alle gerechtigden tot de pensioenaanspraak — dus zowel de man als zijn ex-vrouw — schriftelijk akkoord gingen met deze afwikkeling.
De ex-vrouw reageerde aanvankelijk op verzoeken om haar schriftelijke instemming te geven, maar gaf aan dat zij de zaak nog liet uitzoeken. Na mei 2025 liet zij volledig niets meer van zich horen. Ondanks meerdere aangetekende brieven en e-mails — ook nadat via een deurwaarder haar correcte adres was achterhaald — bleef een reactie uit. De advocaat van de man en zijn vennootschap probeerde haar tot in januari 2026 te bereiken, zonder succes.
Daarop stapten de man en zijn vennootschap naar de rechtbank met het verzoek om vervangende instemming te verlenen namens de ex-vrouw, zodat de pensioenafwikkeling doorgang kon vinden. De zaak was ingediend als verzoekschriftprocedure.
De rechtbank Oost-Brabant concludeerde echter dat deze procedure op het verkeerde spoor was beland. Een verzoek om vervangende toestemming op grond van artikel 3:300 van het Burgerlijk Wetboek — waarbij de rechter in de plaats treedt van een partij die weigert mee te werken — moet worden ingediend via een dagvaarding en niet via een verzoekschrift. Op grond van artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de rechtbank verplicht om dat uit eigen beweging te corrigeren en de zaak op het juiste spoor te zetten.
De rechtbank besliste dan ook dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure. Omdat de ex-vrouw in het buitenland woont, geldt een langere betekeningstermijn van minimaal vier weken. De man en zijn vennootschap moeten haar alsnog via een dagvaarding oproepen voor de rolzitting.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBOBR:2025:4581, Rechtbank Oost-Brabant, 17-07-2025, 10741699 CV EXPL 23-6058
Rechtbank Oost-Brabant · Civiel Recht
ECLI:NL:GHSHE:2024:284, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 01-02-2024, 200.302.331_01
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBZWB:2023:5727, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17-08-2023, 22/5028
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:GHDHA:2023:1244, Gerechtshof Den Haag, 18-07-2023, 200.311.361/01
Gerechtshof Den Haag · Civiel Recht; Arbeidsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
2 april 2026
Instantie
Rechtbank Oost-BrabantRechtsgebied
Civiel Recht; VerbintenissenrechtZaaknummer
423142 EX RK 26-16
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:2126