Rechter wijst studiefinanciering af voor vrouw met fibromyalgie — RBOVE:2026:1661
studiefinanciering / nieuwe aanspraak wegens chronische ziekte (Wsf 2000)
Eiser / verzoeker
eiseres (vrouw uit Zwolle)
Verweerder / gedaagde
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Het beroep is ongegrond verklaard; de weigering van de minister om een nieuwe aanspraak op studiefinanciering toe te kennen blijft in stand.
- De hardheidsclausule van de Wsf 2000 vereist dat een handicap of chronische ziekte tijdens de opleiding is ontstaan, verergerd of gemanifesteerd; de rechtbank oordeelt dat hieraan niet is voldaan.
- Uit de medische gegevens blijkt dat de chronische aandoening al vóór aanvang van de HRM-opleiding bestond en dat verergering in de studieperiode 2018-2022 niet is aangetoond.
- De onderwijsinstelling ondersteunt het verzoek niet; de verklaring van de decaan is als zorgvuldig, inzichtelijk en consistent beoordeeld.
- Het ontbreken van contact met de begeleiding over medische klachten tijdens de opleiding komt voor rekening en risico van de studente zelf.
- De diagnose fibromyalgie werd pas in december 2024 gesteld, ruim nadat de opleiding al was beëindigd.
Samenvatting
Een vrouw uit Zwolle vroeg een nieuwe aanspraak op studiefinanciering aan nadat zij halverwege haar hbo-opleiding Human Resource Management was gestopt. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap weigerde die nieuwe aanspraak, en de rechtbank Overijssel heeft die weigering in stand gelaten.
De vrouw was in 2018 begonnen met de opleiding HRM aan een hogeschool. In haar vierde studiejaar, in 2021-2022, moest zij haar stage stoppen vanwege lichamelijke klachten. Zij staakte de opleiding zonder diploma en stapte in september 2022 over naar een hbo-opleiding Vormgeving aan ArtEZ, waar zij interieurarchitect wil worden. Ze ontving in die eerste periode van 2018 tot 2022 studiefinanciering en daarna nog een lening en collegegeldkrediet. In totaal heeft zij de maximale duur aan studiefinanciering voor een ho-opleiding opgebruikt.
Om toch aanspraak te kunnen maken op nieuwe studiefinanciering, deed zij een beroep op de hardheidsclausule in de Wet studiefinanciering 2000. Die clausule maakt een uitzondering mogelijk als een student tijdens de opleiding een handicap of chronische ziekte heeft gekregen, of als bestaande klachten zijn verergerd of zich hebben gemanifesteerd, waardoor de opleiding niet binnen een redelijke termijn kon worden afgerond.
De vrouw stelde dat zij fibromyalgie heeft, een chronisch pijnsyndroom, en dat deze aandoening zich tijdens de HRM-opleiding heeft ontwikkeld en verergerd. Zij betoogde dat de fysieke en mentale belasting van de studie en de kantoorsetting haar klachten had versterkt, en dat zij daarom niet in staat was het diploma te halen en ook niet kon werken in het HRM-vakgebied. De diagnose fibromyalgie werd overigens pas in december 2024 officieel gesteld.
De minister wees het verzoek af, mede omdat de hogeschool het verzoek niet ondersteunde. De decaan had verklaard dat weliswaar sprake was van een medische aandoening, maar dat niet aannemelijk was gemaakt dat de opleiding daardoor niet binnen een redelijke termijn kon worden afgerond. Bovendien had de vrouw tijdens haar opleiding geen contact gezocht met de begeleiding over haar medische situatie, waardoor de instelling geen causaal verband kon vaststellen. Dat dit voor haar eigen rekening en risico komt, vond de vrouw wrang — zij had zich onvoldoende gesteund gevoeld.
De rechtbank volgde het standpunt van de minister. Uit de medische gegevens bleek dat de chronische aandoening al bestond vóór aanvang van de opleiding en dat niet kon worden aangetoond dat de klachten in de periode 2018-2022 waren verergerd. Het huisartsenjournaal en de revalidatieverslagen waren niet opgesteld met het oog op deze procedure en boden onvoldoende bewijs voor de stelling dat de ziekte de directe oorzaak was van het staken van de opleiding. De vrouw had ook geen onafhankelijk medisch expert kunnen inschakelen die dit causale verband kon aantonen.
De rechtbank erkende de moeilijke persoonlijke situatie van de vrouw — zij is een jonge chronisch zieke student die weinig steun heeft ervaren en financieel in een kwetsbare positie verkeert. Zij ontving ook een gemeentelijke studietoeslag vanwege haar structurele medische beperking, maar die valt weg als zij geen recht meer heeft op studiefinanciering. Toch kon dit de rechtbank niet tot een ander oordeel brengen: de wettelijke voorwaarden voor een nieuwe aanspraak op studiefinanciering zijn niet vervuld. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Betrokken advocaten
M. Santing
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBOBR:2026:267, Rechtbank Oost-Brabant, 20-01-2026, 25/641
Rechtbank Oost-Brabant · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBOBR:2026:209, Rechtbank Oost-Brabant, 16-01-2026, 25/419
Rechtbank Oost-Brabant · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:27103, Rechtbank Den Haag, 13-11-2025, 25/155
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBGEL:2025:9476, Rechtbank Gelderland, 07-11-2025, ARN 23_3306
Rechtbank Gelderland · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Gegevens
Datum uitspraak
30 maart 2026
Instantie
Rechtbank OverijsselRechtsgebied
Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtZaaknummer
ak_25_2389
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:1661