Juristi.nl
ECLI:NL:RBOVE:2026:1740Civiel Recht

Rechter kent vrouw €12.265 schadevergoeding toe in woonwagengeschil — RBOVE:2026:1740

schadevergoeding / huurkoopovereenkomst woonwagen / onrechtmatige daad

Eiser / verzoeker

vrouw (partij A)

VS

Verweerder / gedaagde

vof en haar vennoten (partij B)

De verhuurder wordt veroordeeld tot betaling van €12.265,78 aan schadevergoeding (materieel en immaterieel) aan de vrouw, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 27 juli 2022.

  • Alleen het deel van de huurkooptermijnen dat zag op eigendomsverkrijging (€868,42 per maand) is toewijsbaar als schadevergoeding, niet het volledige betaalde bedrag.
  • Inzageverzoeken bij verhuurder en zorginstelling Phusis worden afgewezen: belang ontbreekt en toewijzing zou neerkomen op ontoelaatbare omkering van bewijslast.
  • Rechtbank stelt bij gebrek aan concrete stellingen schattenderwijs €1.500 vast als deel van Phusis-betalingen dat aan eigendomsverkrijging kan worden toegerekend.
  • Bindende eindbeslissing over schadevergoeding voor het bed (€1.500) blijft in stand ondanks nieuw verweer van verhuurder met bonnetjes.
  • Totale schadevergoeding bedraagt €12.265,78 inclusief vergoedingen voor woonwagen, bed, tv, lampenkap en immateriële schade, met wettelijke rente vanaf 27 juli 2022.

Samenvatting

Een vrouw raakte haar woonwagen kwijt na wat de rechtbank eerder al had beoordeeld als onrechtmatig handelen van haar verhuurder. In een eerder tussenvonnis had de Rechtbank Overijssel al vastgesteld dat de vennoot van de verhuurder onrechtmatig had gehandeld en dat de vrouw recht had op schadevergoeding. In dit eindvonnis rekende de rechtbank uit welk bedrag precies toewijsbaar was.

De kern van het geschil draaide om de huurkoopovereenkomst die de vrouw had gesloten voor de woonwagen. Ze had maandelijks een bedrag betaald, deels voor de uiteindelijke eigendomsverkrijging van de woonwagen en deels als gebruiksvergoeding (stageld). De vrouw claimde het volledige bedrag van €16.800 terug, maar de rechtbank volgde haar daarin niet. Omdat de overeenkomst een duidelijk onderscheid maakte tussen koop en stageld, had de vrouw alleen recht op vergoeding van het deel dat zag op de eigendomsverkrijging.

Een complicerende factor was dat zorginstelling Phusis namens de vrouw maandelijks €800 rechtstreeks aan de verhuurder had betaald uit haar zorgbudget. De rechtbank stelde vast dat Phusis dit ook tot het einde van de huurkoopovereenkomst in juli 2022 had gedaan, omdat de verhuurder dat zelf had erkend in correspondentie. Over de vraag of de vrouw in de laatste maanden zelf ook nog betalingen had gedaan, was meer onduidelijkheid. Ze kon via bankafschriften alleen een betaling van €450 voor april 2022 aantonen.

De vrouw had geprobeerd via twee inzageverzoeken — één gericht aan de verhuurder en één aan Phusis — meer bewijs te verzamelen over de betalingen. De rechtbank wees beide verzoeken af. Het belang voor extra stukken over Phusis' betalingen ontbrak, nu die betalingen al voldoende vaststonden. Stukken opvragen bij de verhuurder zou neerkomen op een omkering van de bewijslast, waarvoor geen aanleiding was: de betaalinformatie bevond zich immers in het domein van de vrouw zelf.

Op basis van de huurkoopovereenkomst stelde de rechtbank de maandelijkse bijdrage voor eigendomsverkrijging vast op €868,42. Over de eerste negen maanden kwamen de betalingen neer op €7.815,78. Voor de laatste drie maanden — mei tot en met juli 2022 — had alleen Phusis nog driemaal €800 betaald. Bij gebrek aan concrete stellingen van partijen over welk deel hiervan op de koop zag, schatte de rechtbank dit naar rato op €1.500. Totaal voor de woonwagen: €9.315,78.

Daarnaast had de rechtbank in het tussenvonnis al bedragen toegewezen voor een bed (€1.500), een televisie (€200) en een lampenkap (€250). De verhuurder had geprobeerd het vonnis over het bed terug te draaien door te stellen dat de zorginstelling het bed had opgehaald, maar de rechtbank zag daarin geen aanleiding om terug te komen op die beslissing: uit de overgelegde bonnetjes bleek niet wélke spullen waren meegenomen, en bovendien stond vast dat de vrouw het bed nooit had ontvangen van Phusis.

De rechtbank kende ook nog €1.000 aan immateriële schadevergoeding toe, een bedrag dat al in het tussenvonnis was vastgesteld. Al deze bedragen opgeteld veroordeelde de rechtbank de verhuurder tot betaling van in totaal €12.265,78 aan de vrouw, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 27 juli 2022.

Betrokken advocaten

mr. W. Wallinga

eiser

Veenstra en Wallinga Advocaten, GRONINGEN

mr. M.E. Beukers

verweerder

Hamer advocaten, BUSSUM

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

1 april 2026

Rechtsgebied

Civiel Recht

Zaaknummer

C/08/329572 / HA ZA 25-70

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBOVE:2026:1740

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Rechter dwingt ex-partner mee te werken aan verkoop echtelijke woning
Rechtbank Overijssel·2 april 2026
Civiel Recht
Boekhouder niet aansprakelijk voor gemist TVL-subsidie van €38.000
Rechtbank Overijssel·1 april 2026
Civiel Recht
Rechter wijst ontbinding huurwoning Domijn-huurders af
Rechtbank Overijssel·31 maart 2026
Civiel Recht