Juristi.nl
ECLI:NL:RBROT:2010:BL8629Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBROT:2010:BL8629, Rechtbank Rotterdam, 22-03-2010, 09/2120 — RBROT:2010:BL8629

Samenvatting

Anders dan verweerder heeft gesteld, betreft deze brief niet slechts een bevestiging voor een afspraak voor het indienen van een verzoek tot naturalisatie. De zinsnede ‘in overleg met de heer van de Stadswinkel geef ik hierbij te kennen dat wij uw verzoek voor de aanvraag van de Nederlandse Nationaliteit voor 1 april hebben ontvangen.’ kan niet anders worden opgevat dan dat wordt medegedeeld, dat eiser zijn verzoek tot naturalisatie vóór 1 april 2007 heeft ingediend. Voor zover, gelet op artikel 2, tweede lid, van de RWN, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste en derde lid, van het BVVN, deze brief al niet kan worden aangemerkt als een door hem ondertekend schriftelijk verzoek tot naturalisatie betoogt eiser met succes dat met deze brief bij hem de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat hij werd geacht zijn verzoek toen te hebben ingediend. Uit de brief van 30 maart 2007 valt niet anders af te leiden, dan dat daarmee is beoogd het verzoek tot naturalisatie onder de werking van de tot 1 april 2007 geldende regelgeving te brengen, ondanks de omstandigheid dat met eiser geen afspraak kon worden gemaakt voor het indienen van zijn verzoek vóór 1 april 2007, en zo eiser tegemoet te komen. Gelet hierop en op de overige in rechtsoverweging 4.4 genoemde omstandigheden en in aanmerking genomen de ter uitvoering van de RWN en daarop gebaseerde regelgeving aan het ROC en de burgemeester gegeven taken, heeft eiser er dan ook op mogen vertrouwen dat hij met de door hem voor ontvangst ondertekende brief met daarin de hiervoor weergegeven zinsnede werd geacht zijn verzoek tot naturalisatie te hebben ingediend vóór 1 april 2007, zodat op zijn verzoek de tot die datum geldende regelgeving van toepassing zou zijn. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat eiser om die reden er niet langer op heeft aangedrongen om, en derhalve heeft nagelaten, vóór 1 april 2007 een schriftelijk verzoek tot naturalisatie in te dienen. Dat voor het indienen van een verzoek tot naturalisatie een afspraak moet worden gemaakt neemt niet weg, dat eiser moet worden geacht op 30 maart 2007, toen hij in persoon in de Stadswinkel aanwezig was, een schriftelijk verzoek tot naturalisatie te hebben kunnen indienen en dat hem daartoe ook de gelegenheid had moeten worden geboden. Aan het zogenoemde dispositievereiste is dan ook voldaan. Dat eiser bij brief van 10 december 2007 aan verweerder te kennen heeft gegeven bereid te zijn om, in overeenstemming met de regelgeving zoals die vanaf 1 april 2007 geldt, de toets gesproken Nederlands alsnog af te leggen, doet er niet aan af dat hij op 30 maart 2007 gerechtvaardigd vertrouwen heeft ontleend aan de hem toen verstrekte brief en op grond daarvan vóór 1 april 2007 geen schriftelijk verzoek tot naturalisatie heeft ingediend. Met de brief van 10 december 2007 heeft eiser dan ook niet het recht verwerkt aanspraak te maken op dat gerechtvaardigde vertrouwen.

Betrokken advocaten

mr. P.R.Y. Yuen

eiser

mr. A.W. van der Berg

eiser

mr. L.Y. Wong

eiser

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

22 maart 2010

Zaaknummer

09/2120

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBROT:2010:BL8629

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBROT:2025:13343
Rechtbank Rotterdam·24 november 2025
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBROT:2025:11222
Rechtbank Rotterdam·25 september 2025
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBROT:2025:11100
Rechtbank Rotterdam·19 september 2025
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBROT:2025:10635
Rechtbank Rotterdam·5 september 2025
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
RBROT:2025:6012
Rechtbank Rotterdam·21 mei 2025
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht