ECLI:NL:RBROT:2016:3476, Rechtbank Rotterdam, 12-05-2016, ROT 14/8750 — RBROT:2016:3476
Samenvatting
Vergunning voor concentratie KPN-Reggefiber. Het karakter van de prenotificatiefase brengt met zich mee dat de daarin gewisselde stukken niet kunnen worden aangemerkt als tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. De rechter-commissaris heeft de beperking van de kennisneming van een overeenkomst, waarin een vetorecht voor KPN zou zijn vastgelegd, gerechtvaardigd geacht. Nu eiseres de rechtbank geen toestemming heeft verleend om van dit stuk kennis te nemen, gaat de rechtbank uit van de juistheid van het in het besluit opgenomen citaat en dus van het bestaan van een vetorecht. Het rechtsgevolg van het eerste-fase-besluit is enkel dat een vergunning is vereist. In die zin is dit besluit te kwalificeren als een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 41 van de Mw. Daarmee is het een besluit als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb. Gelet op artikel 6:3 van de Awb laat dat onverlet dat een belanghebbende daartegen kan opkomen als dit besluit hem los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft. Eiseres wordt echter niet rechtstreeks in haar belang getroffen door het eerste-fase-besluit. De in het eerste-fase-besluit opgenomen oordelen roepen op zichzelf geen rechtsgevolgen in het leven. In dit specifieke geval – waarin sprake is van een overgang van gedeeltelijke naar uitsluitende zeggenschap, waarin slechts met KPN een kostendekkende uitrol van het glasvezelnetwerk kon en kan worden bewerkstelligd en KPN al beslissende invloed had bij wezenlijke investeringsbeslissingen – zijn de verplichtingen die op grond van sectorspecifieke regulering gelden door ACM terecht aangemerkt als een omstandigheid die in de prospectieve analyse kan worden betrokken. Dat betekent dat ACM de concentratie terecht heeft beoordeeld naar de situatie dat er sprake is van een gereguleerde markt en terecht in dat kader heeft beoordeeld of het aannemelijk is dat deze concentratie zal leiden tot een significante belemmering van de mededinging.
Betrokken advocaten
mr. E.K.S. Mollen
eiser
M.S.C.A. van Zwet
eiser
mr. G.D.G.M.G. Bequet
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2025:8356, Rechtbank Amsterdam, 05-11-2025, C/13/722072
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht; Mededingingsrecht
ECLI:NL:CBB:2025:385, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 22-07-2025, 23/1682, 23/1683, 23/1684 en 23/1685
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:6961, Rechtbank Rotterdam, 16-06-2025, ROT 23/5690 & ROT 23/6570
Rechtbank Rotterdam · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:6739, Rechtbank Rotterdam, 20-05-2025, ROT 24/5940 en ROT 24/5967 (rectificatie)
Rechtbank Rotterdam · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
12 mei 2016
Instantie
Rechtbank RotterdamRechtsgebied
Bestuursrecht; MededingingsrechtZaaknummer
ROT 14/8750
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2016:3476