ECLI:NL:RBROT:2016:5486, Rechtbank Rotterdam, 21-07-2016, 15/5023 — RBROT:2016:5486
Samenvatting
Naar het oordeel van de rechtbank heeft ACM het door eiseres ingediende verzoek terecht aangemerkt als een (onvoorwaardelijke) melding als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Mw. Uit artikel 37, eerste lid, van de Mw, gelezen in verbinding met artikel 34, eerste lid, van de Mw, volgt dat een melding kan worden gedaan met het oog op de verkrijging van een besluit omtrent het al dan niet vereist zijn van een vergunning voor de concentratie. Wordt geen melding gedaan, dan geldt onverkort het verbod van artikel 34, eerste lid, van de Mw. Dit is volgens artikel 40, eerste lid, van de Mw alleen anders indien van dit verbod, op verzoek van degene die een melding heeft gedaan, ontheffing is verleend. Aldus bevat de Mw een stelsel waarin het tot stand brengen van een concentratie is verboden tenzij melding is gedaan en vier weken zijn verstreken of na het doen van een melding ontheffing of vergunning is verleend. Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt dit stelsel zich niet met de mogelijkheid van een voorwaardelijke melding. Nu aan eiseres op 23 december 2014 op haar verzoek ontheffing is verleend, wat alleen kan als een melding is gedaan, ziet ACM hierin terecht een bevestiging dat eiseres daadwerkelijk heeft bedoeld een melding als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Mw te doen. De in artikel 37, eerste lid, van de Mw bedoelde melding strekt ertoe dat ACM beoordeelt of voor het tot stand brengen van de betreffende concentratie een vergunning is vereist en behoudens intrekking van de melding daarover een besluit neemt. De beoordeling van de (voor-)vraag of een voorgenomen concentratie onder de werkingssfeer van het concentratietoezicht van artikel 34 van de Mw valt, bijvoorbeeld in verband met het al dan niet halen van de omzetdrempels, vormt, naast de daarop volgende beoordeling of een vergunning is vereist als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Mw, naar het oordeel van de rechtbank een integraal onderdeel van de beoordeling van de melding als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Mw. Artikel 34 van de Mw voorziet niet in een afzonderlijke bevoegdheid van ACM tot het nemen van besluiten omtrent niet‑toepasselijkheid van het concentratieverbod. Nu eiseres een (onvoorwaardelijke) melding heeft gedaan als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Mw, die zij vervolgens heeft ingetrokken voordat ACM op de voet van artikel 37, eerste lid, van de Mw een besluit heeft genomen, heeft ACM aan haar op grond van artikel 6 van het Besluit terecht het voor die beschikking verschuldigde bedrag in rekening gebracht.
Betrokken advocaten
mr. E.M. van den Berg
eiser
mr. A.J. Dorenbos
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:CBB:2026:128, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 31-03-2026, 23/1502
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
ECLI:NL:CBB:2026:135, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 31-03-2026, 24/190
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
ECLI:NL:CBB:2026:123, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 24-03-2026, 24/280 en 24/281
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
ECLI:NL:CBB:2026:70, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-02-2026, 25/1004, 25/1006, 25/1008 en 25/1010
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
21 juli 2016
Instantie
Rechtbank RotterdamRechtsgebied
Bestuursrecht; MededingingsrechtZaaknummer
15/5023
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2016:5486