Juristi.nl

ECLI:NL:RBROT:2021:4477, Rechtbank Rotterdam, 27-05-2021, ROT 19/2769 — RBROT:2021:4477

Samenvatting

Deze zaak gaat over de vraag of verweerder bevoegd is om op grond van nationale regelgeving aanvullende eisen te stellen en – zo ja – welke eisen hij mag stellen voordat hij overgaat tot erkenning als examinator van machinisten aan wie in een lidstaat – Duitsland – reeds een erkenning is verleend. Voorts ligt in het verlengde hiervan de vraag voor of verweerder gehouden was informatie in te winnen bij andere instanties. De rechtbank is van oordeel dat het afnemen van examens aan machinisten een dienst op het gebied van het vervoer is, omdat daarmee de veiligheid van het vervoer wordt gewaarborgd. Dit betekent dat het secundaire unierecht bepalend is voor het antwoord op de vraag of de erkenning om in een lidstaat de dienst van het afnemen van examens aan machinisten te mogen afnemen ook in andere lidstaten geëerbiedigd moet worden. Anders dan eiser en met verweerder is de rechtbank van oordeel dat een erkenning in een lidstaat er niet aan in de weg staat dat verweerder aanvullende eisen mag stellen in verband met het hebben van grondige kennis van de relevante examenmethodes en examendocumenten. Zoals ook naar voren komt in het antwoord van de Commissie op een vraag van verweerder bij e-mailbericht van 20 december 2018, volgt noch uit de Machinistenrichtlijn noch uit Besluit 2011/765/EU dat erkenning in een lidstaat als examinator van machinisten automatisch doorwerkt in een andere lidstaat. Dat geen examenprogramma is vastgesteld laat onverlet dat bij de examinering van machinisten in Nederland aan de Europese criteria gebruik zal worden gemaakt van examenmethodes en examendocumenten, die niet bij algemeen verbindend voorschrift worden vastgesteld. Bij de aanvraag om erkenning van eiser als examinator kan verweerder daarom ondanks een erkenning van de Duitse autoriteiten onder meer een examen afnemen om te bezien of eiser een grondige kennis heeft van de relevante examenmethodes en examendocumenten. Het is aan eiser die een aanvraag doet om de gegevens en bescheiden over te leggen waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, terwijl niet een verplichting rust op het bestuursorgaan om bij andere instanties inlichtingen in te winnen, zo volgt uit artikel 4:2, tweede lid, van de Awb en uit artikel 7, vierde lid, van het Besluit spoorwegpersoneel 2011, zoals dit luidde tot 1 april 2019, in verbinding met de artikelen 26 tot en met 48 van de Aanbeveling 2011/766/EU, waarnaar dit artikellid verwijst.

Betrokken advocaten

mr. P. Bos

eiser

mr. S.K. Boelens

eiser

mr. J.R.C. Tieman

eiser

A. Wedzinga

eiser

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

27 mei 2021

Zaaknummer

ROT 19/2769

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:RBROT:2021:4477

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBROT:2024:10024
Rechtbank Rotterdam·15 oktober 2024
Bestuursrecht; Europees Bestuursrecht
RBROT:2024:9494
Rechtbank Rotterdam·24 september 2024
Bestuursrecht; Europees Bestuursrecht
RBROT:2024:2284
Rechtbank Rotterdam·25 maart 2024
Bestuursrecht; Europees Bestuursrecht
RBROT:2022:10716
Rechtbank Rotterdam·8 december 2022
Bestuursrecht; Europees Bestuursrecht
RBROT:2022:8232
Rechtbank Rotterdam·4 oktober 2022
Bestuursrecht; Europees Bestuursrecht