ECLI:NL:RBROT:2021:6478, Rechtbank Rotterdam, 08-07-2021, ROT 20/844 — RBROT:2021:6478
Samenvatting
Eerstejaars ZW-beoordeling. Onderzoek in de primaire fase door een geregistreerd verzekeringsarts. Onderzoek in de bezwaarfase door een arts, in opleiding tot verzekeringsarts, met contraseign van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Een beoordeling zoals bedoeld in artikel 19aa, eerste lid, van de ZW, zoals hier aan de orde, vindt plaats op grond van het Schattingsbesluit. In het Schattingsbesluit is bepaald dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek wordt verricht door de verzekeringsarts. Anders dan het geval is bij een medische beoordeling in het kader van artikel 19 van de ZW, volgt uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dat de kwaliteit van een medisch onderzoek in het kader van de Wet WIA en artikel 19aa van de ZW onvoldoende is gewaarborgd indien dit geschiedt door een arts in opleiding tot verzekeringsarts. Uit vaste rechtspraak volgt eveneens dat alsnog sprake is van een voldoende zorgvuldige handelwijze, indien het onderzoek van de arts is getoetst, akkoord bevonden en medeondertekend door een geregistreerde verzekeringsarts. Partijen zijn verdeeld over de vraag of in het kader van zorgvuldigheid eveneens kan worden aanvaard dat een arts in opleiding tot verzekeringsarts in de bezwaarfase het onderzoek van een geregistreerde verzekeringsarts uit de primaire fase toetst, indien dat onderzoek in bezwaar door een geregistreerde verzekeringsarts bezwaar en beroep is getoetst, akkoord bevonden en medeondertekend. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat hetzij in de primaire fase, hetzij in de bezwaarfase, de betrokkene op een spreekuur moet zijn gezien en onderzoek moet hebben plaatsgevonden door een geregistreerd verzekeringsarts. In het onderhavige geval is het medisch onderzoek in de primaire fase verricht door een geregistreerd verzekeringsarts. Dat een arts in opleiding tot verzekeringsarts in de bezwaarfase het onderzoek van een geregistreerde verzekeringsarts uit de primaire fase toetst, maakt naar het oordeel van de rechtbank - gelet op voornoemde jurisprudentie - dat daaraan niet dezelfde waarde kan worden toegekend als aan een beoordeling door een geregistreerd verzekeringsarts bezwaar en beroep en dat de kwaliteit van de beoordeling in bezwaar en beroep daarmee onvoldoende is gewaarborgd. Dat maakt dat sprake is van een gebrek. Echter, dit gebrek kan naar het oordeel van de rechtbank worden gedekt door een contraseign van een geregistreerde verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals in dit geval is gebeurd. Uit rechtspraak volgt verder dat het UWV met zijn digitale werkwijze voldoende heeft geborgd dat het benodigde contraseign slechts wordt verricht door degene die daartoe bevoegd is.
Betrokken advocaten
mr. R. Kücükünal
eiser
P. Vliegenthart
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:CRVB:2024:514, Centrale Raad van Beroep, 13-03-2024, 23/420 WIA
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBROT:2022:1949, Rechtbank Rotterdam, 14-03-2022, 21/4942
Rechtbank Rotterdam · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBROT:2021:12354, Rechtbank Rotterdam, 08-12-2021, ROT 20/4192
Rechtbank Rotterdam · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBROT:2021:10233, Rechtbank Rotterdam, 21-10-2021, ROT 20/4369
Rechtbank Rotterdam · Bestuursrecht; Belastingrecht
Gegevens
Datum uitspraak
8 juli 2021
Instantie
Rechtbank RotterdamRechtsgebied
Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtZaaknummer
ROT 20/844
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2021:6478