Juristi.nl
ECLI:NL:RBROT:2025:12968Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht

ECLI:NL:RBROT:2025:12968, Rechtbank Rotterdam, 11-11-2025, ROT 24/9212 — RBROT:2025:12968

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over aan een door de [verweerster] aan een vennootschap opgelegde bestuurlijke boete van € 163.000. Volgens de [verweerster] heeft de vennootschap producten met nepkortingen aangeboden. De door een andere marktpartij in de zaak met nummer ROT 24/7554 opgeworpen vraag of de [verweerster] is belast met de handhaving van artikel 5a van het Besluit prijsaanduiding producten (Bpp) heeft de rechtbank bij uitspraak van heden bevestigend beantwoord. Voor de motivering van dit antwoord wijst de rechtbank naar haar uitspraak in die zaak (ECLI:NL:RBROT:2025:12967). Voor zover [bedrijf X] betoogt dat de [verweerster] niettemin niet bevoegd is om tegen een eventuele overtreding van artikel 5a van het Bpp op te treden door oplegging van een bestuurlijke boete, omdat de Boetebeleidsregel niet voorziet in een categorie voor de vaststelling van de bandbreedte waarbinnen het boetebasisbedrag van een overtreding van die bepaling wordt vastgesteld, wordt dit betoog verworpen. Voor de motivering hiervan wijst de rechtbank naar haar zojuist genoemde uitspraak van heden. De [verweerster] heeft aan de hand van twee selectiememo’s haar onderzoek naar naleving van artikel 5a, eerste lid, van het Bpp en de handhaving daarvan ingestoken. De rechtbank is van oordeel dat de [verweerster] de daarbij gemaakte keuzes voldoende heeft onderbouwd en dat niet is gebleken van vooringenomenheid of willekeur. Dat de toegepaste selectiecriteria tot gevolg hebben dat partijen met een (hoge) naamsbekendheid worden beboet, getuigt niet van vooringenomenheid of willekeur. Het ligt juist voor de hand dat de [verweerster] met name haar pijlen richt op die partijen. Dat een van de partijen die de [verweerster]] heeft beboet de vennootschap is, hangt met name samen met het feit dat zij overtredingen heeft begaan, zodat voor haar voorzienbaar was dat zij met handhaving door de [verweerster] geconfronteerd zou kunnen worden (vgl. ECLI:NL:RVS:2022:1833, punt 10.2). Zie ook ECLI:NL:RBROT:2025:12967

Betrokken advocaten

mr. E.C.M. Braun

eiser

Snijders Litigation, 'S-HERTOGENBOSCH

mr. S.M. Mandjes

eiser

mr. E.C. Plantinga

eiser

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

11 november 2025

Zaaknummer

ROT 24/9212

Procedure

Eerste aanleg - meervoudig

ECLI

ECLI:NL:RBROT:2025:12968

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBROT:2026:3655
Rechtbank Rotterdam·3 april 2026
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
RBROT:2026:2671
Rechtbank Rotterdam·19 maart 2026
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
RBROT:2026:2673
Rechtbank Rotterdam·19 maart 2026
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
RBROT:2026:2675
Rechtbank Rotterdam·19 maart 2026
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
RBROT:2026:2670
Rechtbank Rotterdam·19 maart 2026
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht