ECLI:NL:RBROT:2026:2080, Rechtbank Rotterdam, 04-03-2026, ROT 25/4027 en ROT 25/4399 — RBROT:2026:2080
Samenvatting
Warenwet. Boetes vanwege het in de handel brengen van schadelijke levensmiddelen en het niet onverwijld melden daarvan. De staatssecretaris heeft onweersproken gesteld dat mosselen in principe direct na het opvissen aan de consument moeten kunnen worden verkocht. Op dat moment moeten mosselen dus ook al aan alle eisen voldoen. Ook heeft de staatssecretaris onweersproken gesteld dat zuivering en verwatering in de regel geen noodzakelijke stappen zijn in de productie van mosselen. Dit betekent dat de mosselen, hoewel dat levende dieren zijn, bereid zijn om in de handel te worden gebracht voor menselijke consumptie en dus als levensmiddel moeten worden aangemerkt. Tussen partijen is niet in geschil dat mosselen die besmet zijn met salmonella dan wel AZP schadelijk zijn voor de gezondheid. Het standpunt van eiseres, dat de consument op geen enkel moment een risico heeft gelopen, hangt vooral samen met haar standpunt dat zij de partijen nog niet in de handel had gebracht. De drempel om aan te nemen dat een levensmiddel in de handel is gebracht, ligt laag gelet op de redactie van artikel 3, achtste lid, van Vo. 178/2002. Eiseres had de mosselen al die tijd voorhanden met het oog op de verkoop en daarvoor hoefde niet eerst nog een verwerking plaats te vinden. Dat betekent dat de rechtbank geen andere conclusie kan trekken dan dat eiseres beide partijen mosselen in de handel heeft gebracht. Dat deze partijen de consument (mogelijk) nooit hebben bereikt, is in dit kader niet relevant. De rechtbank volgt ook niet het standpunt van eiseres dat zij niet meende dat sprake was van een levensmiddel dat schadelijk is voor de menselijke gezondheid en dat zij ook geen reden had om dat aan te nemen. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres in beide zaken een meldplicht had. Aangezien naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs geen twijfel bestaat over de uitleg van de in deze uitspraak genoemde artikelen van Vo. 178/2002, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Betrokken advocaten
mr. I.C.M. Nijland
eiser
mr. B.M.J. van der Meulen
eiser
mr. K.R. van Welsum
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBROT:2025:9422, Rechtbank Rotterdam, 04-08-2025, ROT 24/6235
Rechtbank Rotterdam · Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:7045, Rechtbank Rotterdam, 18-06-2025, ROT 23/1244 en ROT 24/2699
Rechtbank Rotterdam · Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:6406, Rechtbank Rotterdam, 30-05-2025, ROT 24/5320
Rechtbank Rotterdam · Bestuursrecht
ECLI:NL:CBB:2025:130, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 04-03-2025, 23/952
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
4 maart 2026
Instantie
Rechtbank RotterdamRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
ROT 25/4027 en ROT 25/4399
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:2080