Rechtbank houdt woningsluiting Schiedammer overeind na drugsvondst — RBROT:2026:3447
woningsluiting op grond van artikel 13b Opiumwet / Damoclesbeleid
Eiser / verzoeker
Bewoner van de woning aan [adres] te Schiedam
Verweerder / gedaagde
Burgemeester van Schiedam
Beroep ongegrond verklaard; de woningsluiting voor zes weken op grond van artikel 13b Opiumwet blijft in stand.
- Indicatieve TRUNARC-test volstaat als bewijs voor aanwezigheid harddrugs in bestuursrechtelijke procedure; NFI-analyse is niet vereist.
- Sepot in de strafzaak tast de bestuursrechtelijke bevoegdheid tot woningsluiting niet aan, omdat in het bestuursrecht een andere bewijsmaatstaf geldt.
- Woningsluiting op grond van artikel 13b Opiumwet is een pandgerichte maatregel: verwijtbaarheid of betrokkenheid van de bewoner is niet relevant.
- Overschrijding van de grenshoeveelheid harddrugs voor eigen gebruik (0,5 gram) met meer dan 15.000 keer maakt sluiting noodzakelijk; afwezigheid van zichtbaar 'loop op de woning' doet daar niet aan af.
- Burgemeester had al rekening gehouden met proportionaliteit door de sluiting te beperken tot zes weken in plaats van de aanvankelijk overwogen zes maanden, gelet op aanwezigheid van ex-vrouw en vier kinderen.
Samenvatting
Een man uit Schiedam probeerde tevergeefs de sluiting van zijn huurwoning ongedaan te maken. De burgemeester van Schiedam had de woning zes weken gesloten nadat de politie er een grote hoeveelheid drugs aantrof. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de sluiting rechtmatig was.
De aanleiding was een huiselijk conflict. Op 27 juni 2024 belde de man zelf de politie, omdat zijn ex-vrouw zijn woning zonder toestemming was binnengegaan. Tijdens dat bezoek vertelde de vader van de ex-vrouw aan een agent dat er een hennepplantage op zolder zou zijn. De ex-vrouw nodigde de politie vervolgens uit om zelf te kijken, waarna de agenten met haar toestemming — en die van de man — de woning doorzochten.
De vondsten waren omvangrijk. Achter gipsplaten en een houten plaat bleek een ruimte verborgen met kweekbakjes voor hennepplanten en zakken potgrond. Verspreid door de woning werd ruim dertig kilo hennepafval gevonden, samen met een kleine hoeveelheid henneptoppen. Daarnaast troffen agenten negen vacuümverpakte zakken aan met een totaalgewicht van bijna acht kilo. Een indicatieve test wees uit dat het om amfetamine ging.
De man bestreed de rechtmatigheid van de sluiting met meerdere argumenten. Hij stelde dat de indicatieve test onvoldoende bewijs oplevert en dat het Openbaar Ministerie de strafzaak tegen hem had geseponeerd. Ook voerde hij aan dat de hennep diende voor zelfgemaakte CBD-olie voor eigen gebruik en dat er geen bezoekers aan de woning waren geweest, wat zou duiden op de afwezigheid van drugshandel. Ten slotte wees hij erop dat hij door de sluiting dakloos was geworden, omdat zijn ex-vrouw tegelijkertijd de huurovereenkomst had opgezegd.
De rechtbank verwierp al deze argumenten. Voor het bestuursrecht geldt een andere en lichtere bewijsmaatstaf dan in het strafrecht, waardoor de indicatieve test volstaat. Het sepot in de strafzaak doet daar niet aan af, temeer omdat de man geen stukken overlegde waaruit de reden van dat sepot bleek. De toegestane hoeveelheid harddrugs voor eigen gebruik van 0,5 gram was met meer dan vijftienduizend keer overschreden: een evidente en ernstige overtreding. Een NFI-analyse was onder die omstandigheden niet vereist.
Dat de drugs mogelijk niet van de man zelf afkomstig waren, maakte evenmin verschil. Een woningsluiting op grond van de Opiumwet is een zogenoemde pandgerichte maatregel: het gaat om wat er in de woning is gevonden, niet om wie het er heeft neergelegd. De burgemeester hoefde dus geen oordeel te vellen over de persoonlijke betrokkenheid of verwijtbaarheid van de bewoner. Ook het dakloosheidsrisico kon de sluiting niet voorkomen, nu de burgemeester al rekening had gehouden met de aanwezigheid van de ex-vrouw en haar vier kinderen door de duur te beperken tot zes weken in plaats van de aanvankelijk overwogen zes maanden.
De rechtbank oordeelde dat de burgemeester de woning rechtmatig voor zes weken had gesloten en verklaarde het beroep ongegrond.
Betrokken advocaten
mr. J. Aksu
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBROT:2025:14946, Rechtbank Rotterdam, 23-12-2025, ROT 21/1550
Rechtbank Rotterdam · Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:7182, Rechtbank Amsterdam, 01-10-2025, C/13/765848 / HA ZA 25-825
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:RBNHO:2025:1590, Rechtbank Noord-Holland, 13-02-2025, 23-3263
Rechtbank Noord-Holland · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBLIM:2025:778, Rechtbank Limburg, 31-01-2025, ROE 23/3794
Rechtbank Limburg · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Rechtbank RotterdamRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
ROT 25/3475
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:3447