ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8473, Rechtbank 's-Gravenhage, 12-06-2012, AWB 11/24363 — RBSGR:2012:BW8473
Samenvatting
Eiser en zijn echtgenote verblijven in Spanje. Eisers echtgenote heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiser heeft in Spanje een verblijfsdocument waaruit blijkt dat hij rechtmatig verblijf heeft als gezinslid van een onderdaan van de EU. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat art. 3, lid 1, van richtlijn 2004/38 EG pas naar analogie op eiser van toepassing is als zijn echtgenote voornemens is vanuit Spanje naar Nederland terug te keren en eiser haar daarbij wil begeleiden. Pas als die situatie aan de orde is, moet verweerder, in het kader van een verzoek daartoe, aan de hand van het Unierechtelijk openbare-ordecriterium beoordelen of de ongewenstverklaring moet worden opgeheven. De Rb. is dan ook van oordeel dat verweerder terecht niet aan het Unierechtelijk openbare-ordecriterium heeft getoetst, maar aan de nationale regelgeving over de opheffing van de ongewenstverklaring. De Rb. is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om eisers aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring af te wijzen. De Rb. overweegt dat op grond van artikel IIB van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, voor zover in dit geval van belang, paragraaf 4.1.3.2 van de Awb gedurende drie jaren na de datum waarop art. 4:16 van die wet vervalt, geen toepassing vindt op beschikkingen, genomen op grond van de Vw. Nu art. 4:16 Awb is vervallen op 1 oktober 2009, was de termijn van drie jaren ten tijde van het bestreden besluit niet verstreken. De Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen is dan ook niet van toepassing op het bestreden besluit, dat is genomen op grond van de Vw. Naar het oordeel van de Rb. is dit niet in strijd met het Unierechtelijk gelijkwaardigheidsbeginsel, nu personen die via de Vw een beroep op EU-recht doen niet in een nadeliger positie worden gebracht dan personen die een beschikking op grond van niet in artikel IIB van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen uitgezonderde regelgeving vragen, maar is er sprake van een andere situatie die een andere behandeling rechtvaardigt. Gelet hierop kan het beroep dat eiser ter zitting heeft gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 25 juli 2008 in de zaak van Blaise Baheten Metock e.a., tegen Ierland niet slagen. Beroep ongegrond.
Betrokken advocaten
mr. L. Verheijen
eiser
mr. G.G.A.J. Adang
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2024:2540, Raad van State, 26-06-2024, 202102873/1/V3
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RVS:2024:2617, Raad van State, 26-06-2024, 202202543/1/V3
Raad van State · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2023:2540, Rechtbank Den Haag, 02-02-2023, AWB 22/8056 AWB 22/8058 en AWB 22/8059
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2022:13445, Rechtbank Den Haag, 07-07-2022, AWB 20/4070
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
12 juni 2012
Instantie
Rechtbank Den HaagRechtsgebied
Bestuursrecht; VreemdelingenrechtZaaknummer
AWB 11/24363
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8473