ECLI:NL:RBUTR:2010:BP1552, Rechtbank Utrecht, 10-12-2010, 377894 / FA RK 10-8214 — RBUTR:2010:BP1552
Samenvatting
Internationale kinderontvoering. Teruggeleiding van de minderjarige naar Guatemala. Voor de uitspraken in een eerder tussen partijen recentelijk gevoerde teruggeleidingsprocedure wordt verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Utrecht d.d. 07-01-2010, LJN BL0681, en van het gerechtshof Amsterdam d.d.19-02-2010, LJN BL8848. De moeder is na de uitspraak van het gerechtshof met de minderjarige naar Guatemala teruggekeerd om vervolgens -wederom zonder toestemming van de vader- de minderjarige ten tweede male met zich mee te nemen naar Nederland. De vader heeft getracht de beslissing van het gerechtshof Amsterdam (nogmaals) ten uitvoer te leggen. De voorzieningerechter wees dat verzoek af en overwoog dat met de terugkeer van de moeder in maart 2010 reeds was voldaan aan de bevolen terugkeer naar Guatemala, dat ouderlijke geschillen tussen partijen voor een rechter in Guatemala dienen te worden beslecht, dat thans voor de terugkeer van de minderjarige een nieuwe bodemprocedure nodig is en dat partijen op grond van nieuwe feiten en omstandigheden dienen aan te tonen dat een wijziging van de tussen hen geldende afspraken gerechtvaardigd is. De moeder heeft zich beroepen op de weigeringsgronden van artikel 13 lid 1 sub b, artikel 13 lid 2 en artikel 20 van het HKOV en op artikel 8 EVRM (uitspraak EHRM, Neulinger and Shuruk v Switzerland, 41615-07, d.d. 06-07-2010, LJN BN9478). Volgens de rechtbank is geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die het vertrek van de moeder met de minderjarige uit Guatemala rechtvaardigen en die aanleiding geven om de teruggeleiding van de minderjarige naar Guatemala thans niet te bevelen, zodat (wederom) de terugkeer wordt gelast met bevel dat de moeder de op 30-11-2009 tussen partijen overeengekomen Memorandum of Understanding dient na te komen. Verzoeken van de CA tot het verbieden van de moeder om de minderjarige buiten Nederland te brengen, de afgifte van de reisdocumenten van de minderjarige en een verklaring voor recht dat, ingeval de moeder, na de teruggeleiding de minderjarige nogmaals zonder toestemming buiten Guatemala zal brengen, de beschikking die de teruggeleiding thans heeft gelast als niet nagekomen zal worden beschouwd en in Nederland uitvoerbaar zal blijven, wijst de rechtbank af. De moeder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Betrokken advocaten
mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda
belanghebbende
mr. C.L. Wehru
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:GHDHA:2026:113, Gerechtshof Den Haag, 30-01-2026, 200.362.946/01
Gerechtshof Den Haag · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:26453, Rechtbank Den Haag, 15-12-2025, C/09/692115 / FA RK 25-7248
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht
ECLI:NL:GHDHA:2025:2718, Gerechtshof Den Haag, 03-12-2025, 200.361.043/01
Gerechtshof Den Haag · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:24635, Rechtbank Den Haag, 20-11-2025, C/09/690611 / FA RK 25-6427
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
Gegevens
Datum uitspraak
10 december 2010
Instantie
Rechtbank Midden-NederlandRechtsgebied
Civiel Recht; Personen- En FamilierechtZaaknummer
377894 / FA RK 10-8214
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBUTR:2010:BP1552