ECLI:NL:RBUTR:2012:BX8017, Rechtbank Utrecht, 21-09-2012, SBR 12/720 — RBUTR:2012:BX8017
Samenvatting
In geschil is of verweerder de door eiseres verzochte verstrekking van het collegebesluit en de vaststellingsovereenkomst terecht heeft geweigerd vanwege de op die documenten opgelegde geheimhoudingsplicht op grond van art. 55 van de Gemw. De voorliggende vraag hierbij is of de beoordeling van een verzoek op grond van de Wob terzijde wordt geschoven door de geheimhoudingsplicht als bedoeld in art. 55 van de Gemeentewet. De Rb. beantwoordt die vraag bevestigend. In art. 55 van de Gemw is het opleggen van een verplichting tot geheimhouding voor het college van burgemeester en wethouders op overeenkomstige wijze geregeld als dat voor de gemeenteraad in art. 25 van de Gemw is bepaald. De Rb. verwijst hiervoor naar de memorie van toelichting bij de Gemw (Kamerstukken II, 1985-1986, 19 403, nr. 3, p. 96). De betekenis van art. 55 van Gemw is daarmee gelijk aan die van art. 25 van de Gemw, zodat het oordeel van de ABRS in de uitspraak van 11 september 2002 (LJN: AE7453) dat art. 25 van de Gemw moet worden aangemerkt als een uitputtende regeling inzake openbaarmaking en geheimhouding, die als bijzondere regeling voorrang heeft boven de Wob, ook geldt voor art. 55 van de Gemw. Dit betekent ook dat het door eiseres genoemde en in de uitspraak van de ABRS van 23 juni 2010 (LJN: BM8796) vooropgestelde belang van een goede en democratische besluitvorming dat met het recht van openbaarmaking op grond van de Wob wordt gediend, in dit geval ondergeschikt is aan de geheimhoudingsplicht die voor de inhoud van het collegebesluit en de vaststellingsovereenkomst is opgelegd en waarop verweerder een beroep heeft gedaan. Zolang de geheimhoudingsplicht niet is opgeheven, kan verweerder daarop een beroep blijven doen bij de beoordeling van een verzoek op grond van de Wob. De door eiseres aangevoerde omstandigheid dat verweerder in een civielrechtelijke procedure wel informatie uit de geheimgehouden documenten zou hebben prijsgegeven, kan daarom niet ertoe leiden dat verweerder het verzoek van eiseres om die reden wel zou moeten honoreren.
Betrokken advocaten
mr. S. Ramdoelare Tewari
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBROT:2025:14761, Rechtbank Rotterdam, 22-10-2025, C/10/691228 / HA ZA 24-1133
Rechtbank Rotterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:RBDHA:2024:23748, Rechtbank Den Haag, 29-11-2024, C/09/674455 KG ZA 24-994
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht; Aanbestedingsrecht
ECLI:NL:RBGEL:2024:5991, Rechtbank Gelderland, 04-09-2024, C/05/433926 / HA ZA 24-168
Rechtbank Gelderland · Civiel Recht; Burgerlijk Procesrecht
ECLI:NL:RBOVE:2024:220, Rechtbank Overijssel, 10-01-2024, C/08/271025 / HA ZA 21-377
Rechtbank Overijssel · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
21 september 2012
Instantie
Rechtbank Midden-NederlandRechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
SBR 12/720
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBUTR:2012:BX8017