ECLI:NL:RBZWB:2023:378, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24-01-2023, 20/5953 en 20/5954 — RBZWB:2023:378
Samenvatting
artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel j, ten tweede, van de Wet op de omzetbelasting 1968 Belanghebbende heeft in het jaar 2017 een overeenkomst met het Duitse bedrijf X gesloten op grond waarvan X aan belanghebbende tegen vergoeding diensten verleent. Die diensten werken als volgt. De cliënt logt in op de internetbankierenwebsite van belanghebbende. Hier verifieert belanghebbende de identiteit van de cliënt. Vervolgens wordt de betaalpagina aan de cliënt gepresenteerd. De voorkant van het systeem is afkomstig van X. Op de betaalpagina voert de cliënt de beoogde transactie in. Indien die transactie past binnen de door belanghebbende vooraf ingestelde parameters, autoriseert X de transactie. De cliënt ziet direct dat het saldo van haar rekening is gedebiteerd. De betalingsorder wordt als payment file door X uitgevoerd in het Y-systeem, waardoor de cliënt niet meer over het bedrag kan beschikken. De data worden vervolgens uit het Y-systeem naar een ander systeem gestuurd. Dit andere systeem zet de data om in het correcte file format en stuurt de betaalbatch geautomatiseerd naar belanghebbende. Belanghebbende maakt een kopie van de betaalbatch en stuurt de data geautomatiseerd door naar een derde partij. Deze derde partij stuurt een settlement instructie voor het netto settlement van de transacties met andere banken. Gedurende de nacht geeft X een overzicht van de totaalstanden en transacties door aan belanghebbende in verband met administratieve controles. De door X verrichte diensten zijn weliswaar gelet op de softwarematige inrichting onontbeerlijk voor het realiseren van overmakingen, maar deze diensten brengen geen wijziging in zowel de juridische als financiële verhoudingen. Met hetgeen belanghebbende heeft aangedragen is de rechtbank daarom van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de diensten van X zowel op zichzelf bezien als tezamen, de kenmerkende en essentiële functies vervullen van overmakingen en/of ‘rekening-courantverkeer’ in de zin van de vrijstelling. Het beginsel van fiscale neutraliteit staat naar het oordeel van de rechtbank ook niet in de weg aan de conclusie dat de werkzaamheden die X voor belanghebbende verricht, niet voldoen aan de voorwaarden om de vrijstelling te mogen toepassen.
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBZWB:2026:570, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 02-02-2026, 25/314
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:RBZWB:2026:569, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 02-02-2026, BRE - 25 _ 6705
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:RBZWB:2026:293, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22-01-2026, 24/5889
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:RBZWB:2026:292, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22-01-2026, 24/5888
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Bestuursrecht; Belastingrecht
Gegevens
Datum uitspraak
24 januari 2023
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtsgebied
Bestuursrecht; BelastingrechtZaaknummer
20/5953 en 20/5954
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2023:378