Tilburgse man veroordeeld voor smaad na valse verkrachtingsbeschuldigingen — RBZWB:2026:1484
smaad / eeraanranding
Eiser / verzoeker
Officier van justitie (namens de staat)
Verweerder / gedaagde
Verdachte
Verdachte veroordeeld voor smaad tot een taakstraf van 60 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken.
- Civielrechtelijke aansprakelijkstelling vormt geen vervolgingsbeletsel voor strafrechtelijke vervolging wegens smaad
- Bij een reeks smadelijke uitlatingen begint de klachttermijn van drie maanden pas na de laatste uitlating, niet na de eerste
- Beschuldigingen van aanranding en verkrachting kwalificeren als 'tenlastelegging van een bepaald feit' in de zin van artikel 261 Sr
- Verdachte wist dat zijn beschuldigingen in strijd met de waarheid waren, wat opzet op de smaad oplevert
- Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 60 uren en voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken
Samenvatting
Een man uit Tilburg heeft meerdere medewerkers van twee bedrijven ervan overtuigd dat een ambtenaar zijn vrouw had aangerand en verkracht. Die beschuldigingen bleken volstrekt ongegrond. De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde op 10 maart 2026 dat de man zich schuldig heeft gemaakt aan smaad.
De zaak draait om drie telefoongesprekken die de verdachte voerde met medewerkers van twee bedrijven tussen juni 2021 en februari 2022. In die gesprekken beschuldigde hij de aangever — een ambtenaar — van het aanranden en verkrachten van zijn echtgenote. De beschuldigingen waren concreet genoeg om iemand aan te wijzen en ernstig genoeg om diens eer en goede naam te schaden: aanranding en verkrachting zijn immers misdrijven.
Voor de rechtszaak kon beginnen, moest eerst een aantal procesrechtelijke drempels worden genomen. De verdediging probeerde de officier van justitie niet-ontvankelijk te laten verklaren op twee gronden. Ten eerste voerde zij aan dat de man al civielrechtelijk aansprakelijk was gesteld — zowel door de aangever als door de gemeente — en dat een strafrechtelijke vervolging daardoor geen doel meer diende. Ten tweede betoogde de verdediging dat de klacht niet tijdig was ingediend.
De rechtbank verwierp beide verweren. Een civielrechtelijke procedure en een strafvervolging dienen verschillende doelen: het strafrecht beschermt maatschappelijke belangen zoals normhandhaving en preventie, en dat kan niet worden overgenomen door een civiele rechter. De stelling dat ook de gemeente civiel had opgetreden, maakte dat oordeel niet anders. Over de klachttermijn oordeelde de rechtbank dat bij een reeks van smadelijke uitlatingen de termijn van drie maanden pas begint te lopen na de laatste uitlating — niet na de eerste. Omdat de aangever op 7 april 2022 aangifte deed en de laatste uitlating op 18 februari 2022 plaatsvond, was de klacht ruim binnen de termijn ingediend.
Inhoudelijk stond de vraag centraal of de verdachte opzettelijk de eer en goede naam van de aangever had aangetast door hem een concreet feit ten laste te leggen. De rechtbank beantwoordde die vraag bevestigend. De beschuldigingen wezen op duidelijk te herkennen gedragingen — aanranding en verkrachting — die als misdrijf kwalificeren. Bovendien was de verdachte zich bewust van het smadelijke karakter van zijn uitlatingen: hij wist dat zijn beweringen in strijd met de waarheid waren. Aan alle bestanddelen van smaad was daarmee voldaan.
De verdediging had nog aangevoerd dat de verdachte niet de bedoeling had ruchtbaarheid te geven aan zijn beschuldigingen bij een bredere kring van mensen, en dat niet kon worden vastgesteld dat de aantijgingen onjuist waren. De rechtbank ging hier niet in mee. De rechtbank veroordeelde de man voor smaad en legde hem een taakstraf op van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBZWB:2025:9705, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22-12-2025, 02-062390-23
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Strafrecht
ECLI:NL:RBZWB:2025:3965, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25-06-2025, 02-800168-12 (tbs)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Strafrecht
ECLI:NL:RBZWB:2025:250, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 08-01-2025, C/02/428937 / JE RK 24-2114
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:GHSHE:2024:2281, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16-07-2024, 200.339.269_01
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
10 maart 2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
02-062252-24
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:1484