Juristi.nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:2230Civiel Recht; Verbintenissenrecht

Rechter laat frauderegistratie zorgaanbieder bij CZ in stand — RBZWB:2026:2230

frauderegistratie zorgaanbieder / incidentenregister en EVR / zorgverzekering

Eiser / verzoeker

Zorgaanbieder (B.V., naam geanonimiseerd)

VS

Verweerder / gedaagde

Onderlinge Waarborgmaatschappij CZ Groep U.A.

Alle vorderingen van de zorgaanbieder tot verwijdering uit de fraude- en verwijzingsregisters zijn afgewezen; de registraties bij CZ blijven in stand tot 2032.

  • CZ registreerde de zorgaanbieder in het Interne en Externe Incidentenregister en Verwijzingsregister na vaststelling van fraude (gedeclareerde zorg terwijl bestuurder arbeidsongeschikt was, gemiddeld 14 uur/dag gedurende 639 dagen).
  • De zorgaanbieder weigerde structureel mee te werken aan het fraudeonderzoek, beantwoordde geen vragen en leverde geen administratie aan.
  • Het bindend advies van de SKGZ dat de verzekerde zelf geen fraudeopzet had, leidt niet automatisch tot verwijdering van de registraties van de zorgaanbieder.
  • De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen tot ongedaanmaking van de registraties af.
  • CZ deed strafrechtelijke aangifte wegens oplichting en valsheid in geschrifte; de onderneming had grote bedragen overgemaakt naar Curaçao en Zwitserland.

Samenvatting

Een zorgaanbieder uit Nederland probeerde via een kort geding te voorkomen dat zorgverzekeraar CZ haar gegevens in diverse frauderegisters liet staan. De voorzieningenrechter van Rechtbank Zeeland-West-Brabant wees de vorderingen echter af.

De zorgaanbieder — een besloten vennootschap waarbij één persoon zowel bestuurder als enige zorgverlener is — verleende al jaren dagelijkse zorg aan een CZ-verzekerde met een restitutieverzekering. Omdat de verzekerde zelf zijn rekeningen bij CZ indiende, kwamen de declaraties voor de geleverde zorg bij de verzekeraar terecht. De verhoudingen werden verdacht toen de bestuurder in maart 2024 een arbeidsongeschiktheidsmelding deed bij haar eigen arbeidsongeschiktheidsverzekeraar, terwijl de declaraties voor zorg aan de CZ-verzekerde gewoon doorgingen.

In juli 2024 ontving CZ twee alarmsignalen vrijwel tegelijkertijd. De gemeente Tilburg meldde een vermoeden van fraude, omdat de betalingen aan de zorgaanbieder zo hoog waren dat het onwaarschijnlijk leek dat één persoon al die zorg kon verlenen. Bovendien bleek uit een melding van de Financial Intelligence Unit dat de onderneming grote bedragen had overgemaakt naar rekeningen op Curaçao (ruim 166.000 euro) en Zwitserland (ruim 608.000 euro). CZ startte een fraudeonderzoek.

De zorgaanbieder weigerde echter volledig mee te werken. Uitnodigingen voor gesprekken werden afgewezen, vragen bleven grotendeels onbeantwoord en aangeleverde informatie bleef uit. De bestuurder stelde dat zij alleen per e-mail wilde communiceren, dat zij geen urenadministratie bijhield en dat CZ te ver ging met haar vragen. Uiteindelijk gaf zij aan helemaal niet meer te willen meewerken en sommeerde zij CZ het onderzoek te beëindigen.

CZ concludeerde in november 2024 dat er sprake was van fraude. De kern van het verwijt: de bestuurder had gedurende gemiddeld veertien uur per dag, gedurende een aaneengesloten periode van 639 dagen, zorg gedeclareerd — terwijl zij in die periode zelf arbeidsongeschikt was verklaard. Omdat zij de enige werkzame persoon binnen de onderneming was, concludeerde CZ dat de gedeclareerde zorg onmogelijk geleverd kon zijn. De verzekeraar deed strafrechtelijke aangifte wegens oplichting en valsheid in geschrifte, en nam de gegevens van de onderneming op in het Interne en Externe Incidentenregister en het Interne en Externe Verwijzingsregister tot 2032.

De zorgaanbieder stapte naar de rechter om die registraties ongedaan te laten maken. In de procedure wees zij er onder meer op dat de Geschillencommissie Zorgverzekeringen eerder had geoordeeld dat de opzet tot fraude bij de verzekerde zelf niet was komen vast te staan, en dat CZ ook diens registraties moest verwijderen. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat dit oordeel over de verzekerde niet automatisch betekent dat de registratie van de zorgaanbieder onterecht is. De verwijten aan het adres van de onderneming staan los van de vraag of de verzekerde zelf met frauduleuze opzet handelde.

De rechter wees alle vorderingen van de zorgaanbieder af. De registraties in het Interne en Externe Incidentenregister en het Interne en Externe Verwijzingsregister blijven daarmee in stand.

Betrokken advocaten

mr. B.C. van Hees

eiser

Sijben en Partners Advocaten-het Onderwijskantoor (SPA-hOK), HEERLEN

mr. B. van Mieghem

verweerder

Wybenga Advocaten, ROTTERDAM

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

25 maart 2026

Zaaknummer

C/02/444388 / KG ZA 26-36 (E)

Procedure

Kort geding

ECLI

ECLI:NL:RBZWB:2026:2230

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

RBZWB:2026:2298
Rechtbank Zeeland-West-Brabant·25 maart 2026
Civiel Recht; Verbintenissenrecht
Infomedics wint incassozaak over tandheelkundige behandeling
Rechtbank Zeeland-West-Brabant·25 maart 2026
Civiel Recht; Verbintenissenrecht
DSW wint premiegeschil: man moet zorgverzekering erkennen
Rechtbank Zeeland-West-Brabant·25 maart 2026
Civiel Recht; Verbintenissenrecht
Rechter verplicht aannemer tot betaling meerwerk deurdrangers
Rechtbank Zeeland-West-Brabant·25 maart 2026
Civiel Recht; Verbintenissenrecht
Floryn wint terugvordering voorschotten in factoring­geschil
Rechtbank Zeeland-West-Brabant·25 maart 2026
Civiel Recht; Verbintenissenrecht